30372 en 30174
C.A. de Lange (OSF)
Mevrouw de voorzitter,
Vandaag spreken we over twee wetsvoorstellen die een belangrijke aanvulling vormen op de representatieve democratie zoals we die momenteel in Nederland kennen. Dat doet natuurlijk meteen de vraag rijzen of zo’n aanvulling wel nodig is, en of onze vorm van representatieve democratie al dan niet probleemloos functioneert. Het is daarom zinvol eerst die vraag in enig detail te beantwoorden, alvorens de wetsvoorstellen zelf te bespreken. Maar laat me beginnen met mijn complimenten te maken aan al die initiatiefnemers die over een lange reeks van jaren zich hebben ingezet om de huidige voorstellen nu aan de Eerste Kamer voor te leggen. Alleen hun inzet al rechtvaardigt een grondige analyse van de situatie.
Nederland is een coalitieland. Dat heeft voordelen, maar roept ook vragen op over de representativiteit van iedere coalitie. Laten we niet blijven steken in abstractie, maar meteen naar de situatie gaan waarin we ons momenteel bevinden. Nadat de kiezer gekozen heeft voor de Tweede Kamer, is er een kabinet gevormd door twee partijen van vergelijkbare grootte die samen op iets meer dan 50% van de uitgebrachte stemmen konden bouwen. VVD en PvdA zijn geen natuurlijke partners om maar een understatement te gebruiken, en er is een regeerakkoord tot stand gekomen dat vooral op uitruil gebaseerd is. Dat betekent dat er diverse zwaarwegende onderwerpen zijn waarover de regeringspartijen heel verschillend denken, maar waarover compromissen gesloten zijn. Vanuit het perspectief van de burger is het dus denkbaar dat er wetsvoorstellen gepresenteerd worden waar hij mordicus tegen is, waar inhoudelijk slechts ongeveer een kwart van de Tweede Kamer echt voorstander van is, maar waar het kabinet in het belang van het eigen voortbestaan niettemin op inzet. Dat het percentage burgers dat dit kabinet nog lijkt te steunen inmiddels ver onder de 50% gezakt is, maakt de zaak in de perceptie van de burger niet beter. Over de dubieuze en ongecontroleerde rol van opiniepeilingen die leiden tot een ‘verhondsing’ of met een mooier woord ‘caninisering’ van de publieke opinie zullen we vandaag maar niet spreken.
Een extra complicatie is dat de samenstelling van de Eerste Kamer een andere is dan die van de Tweede Kamer en dat hier voor het kabinetsbeleid geen klakkeloze meerderheid bestaat. Die bestond er gezien de rol van de Eerste Kamer inhoudelijk natuurlijk al nooit, maar nu ook getalsmatig niet. Resultaat is dat dit kabinet zich continu in ongeloofwaardige bochten wringt om in de Tweede Kamer, met behulp van partijen die zich graag de ‘constructieve oppositie’ noemen, gelegenheidssteun te organiseren om in de Eerste Kamer een kleine meerderheid te verkrijgen. Dat het creëren in achterkamertjes van meerderheden in de Tweede Kamer automatisch zou leiden tot dezelfde meerderheden in dit huis, is een treurige ontkenning en ondermijning door dit kabinet van de feitelijke rol en werkwijze van de Eerste Kamer. Mijn fractie wordt daar niet vrolijk van, maar wat veel erger is, de burger ook niet.
Het toch al niet zo vleiende beeld dat de burger van deze regering krijgt, wordt nog verder op de proef gesteld doordat het regeerakkoord regelmatig onderwerp is van opportunistische aanpassingen. Deze handjeklapcoalitie ruilt met groot gemak op een achternamiddag totaal onvergelijkbare standpunten tegen elkaar uit, tot verbazing van zelfs de zo ‘constructieve’ steunfracties, maar zeker ook tot verbijstering van de echte oppositie. Dat Nederland het land van de koopman en de dominee is, is een gegeven. Dat die koopman en dominee momenteel vooral onderling ruilhandel plegen, is nieuw. Fressen versus Moral, om met Bertolt Brecht te spreken.
Maar om terug te keren tot het onderwerp van vandaag, de huidige vorm van representatieve democratie biedt de burger nauwelijks houvast meer, en leidt regelmatig tot controversiële wetsvoorstellen die soms slechts door een zeer beperkte minderheid van de Tweede Kamer echt inhoudelijk onderschreven worden. Bovendien kan dat gaan om voorstellen die het leven van de burger op diverse punten zeer ingrijpend beïnvloeden. Dat de burger dus iets meer mag verlangen dan alleen de mogelijkheid om eens in de vier jaar zijn stem uit te brengen, is een realiteit die staat als een huis. En, u begrijpt het al, in die zin is mijn fractie een overtuigd voorstander van het scheppen van de aanvullende mogelijkheid van referenda.
Ook als we het staren naar de eigen navel even achterwege laten, kunnen we constateren dat in diverse buitenlanden referenda heel normaal zijn. Een duidelijk voorbeeld is Zwitserland. Als je tussen hoge bergen woont, ligt het geografisch voor de hand vooral de lokale kantonale democratie te ontwikkelen. Referenda hebben daar een lange traditie en zijn een kenmerkend element van de moderne Zwitserse democratie. Democratie impliceert uiteraard dat ‘demos’, het volk, de ‘cratie’, de soevereiniteit bezit. Het is in dit verband curieus om te constateren dat wanneer het Zwitserse volk zijn soevereiniteit uitoefent door via een referendum op 9 februari 2014 te besluiten de immigratie te beperken, de niet democratisch gekozen voorzitter van de Europese Commissie, Manuel Barroso, daar tamelijk rancuneus op reageert. Minstens even curieus is dat bij politieke zaken die het establishment onwelgevallig zijn, afgeleiden van het woord ‘populus’, de Latijnse variant van het Griekse ‘demos’, meteen uitgebreid opgeld doen. Het is één van de raadselen van de taalwetenschap dat woorden die exact hetzelfde betekenen een zo totaal verschillende gevoelswaarde kunnen hebben. Politiek en taalmanipulatie liggen kennelijk soms erg dicht bij elkaar.
Tijd nu voor een meer gedetailleerde beschouwing over de beide wetsvoorstellen, te beginnen met het raadgevend correctief referendum 30372. Het nu voorliggende wetsvoorstel heeft een lange voorgeschiedenis. Dit valt de initiatiefnemers niet te verwijten, maar is veeleer een gevolg van de merkwaardige mix van volatiliteit en stroperigheid die de Nederlandse politiek al decennia lang kenmerkt. De schriftelijke voorbereiding was uitgebreid, en diverse elementen van het voorstel zijn de revue gepasseerd. Wat ik niet uit stukken heb kunnen halen, is wie verantwoordelijk wordt voor het formuleren van de vraagstelling bij een referendum, dat bovendien een inleidende en een definitieve stap kent. Om iedere vorm van taalmanipulatie te voorkomen, zou naar mijn mening alleen de simpelst mogelijke vraag, namelijk of de burger ‘ja’ of ‘nee’ zegt tegen het betreffende wetsvoorstel bij het referendum gesteld moeten worden. Graag hoor ik op dit zo belangrijke punt de toelichting van de initiatiefnemers.
Over de wenselijkheid om tot een raadgevend correctief referendum te komen, oordeelt mijn fractie positief. U hebt dat uit mijn inleiding kunnen destilleren. Veel discussie is gevoerd of de gekozen vorm al dan niet strijdig met de grondwet is. Ik deel de zorgvuldige overwegingen van de initiatiefnemers die betogen dat er geen strijdigheid bestaat. Ook de zorg die is uitgesproken dat een referendum de rol van de Eerste Kamer zou uithollen, deelt mijn fractie niet. Het is momenteel veeleer het kabinet dat door zijn handelwijze twijfel zaait omtrent de rol en betekenis van de Eerste Kamer.
Nu er geen grondwettelijke redenen zijn die de invoering van een raadgevend correctief referendum in de weg staan, dient de vormgeving en de procedure nader bezien te worden. Gekozen wordt voor een tweestapsprocedure waarbij eerst een inleidend verzoek met een drempel van 10000 kiezers moet worden gedaan, eventueel gevolgd door een definitief verzoek met een drempel van 300000 kiezers. Graag hoor ik van de initiatiefnemers een nadere uitgebreidere onderbouwing waarom gekozen is voor twee stappen, liever dan voor een wellicht simpeler eenstapsprocedure. De gekozen drempels lijken overigens op een realistische wijze de klippen van of een te lage, of een te hoge barrière voor het houden van een referendum te vermijden.
Ook zijn vragen gerezen over de keuze voor een referendumcommissie, liever dan het onderbrengen van de nodige taken bij de Kiesraad. Graag hoor ik van de initiatiefnemers waarom zij voor een aparte commissie gekozen hebben. In elk geval dient volstrekte onafhankelijkheid gegarandeerd te worden. Waarom denken de initiatiefnemers dat die onafhankelijkheid beter gegarandeerd wordt wanneer de commissieleden benoemd worden door de regering, liever dan door het parlement? Mijn fractie heeft behoefte aan een toelichting op dit punt.
Tenslotte de financiën. Zolang de subsidie die per referendum verstrekt wordt aan een plafond gebonden is, zullen de kosten beperkt blijven. Bovendien mag door de hoogte van de drempels in redelijkheid worden aangenomen dat het aantal referenda niet uit de hand zal lopen. Dat laatste lijkt vooralsnog ook wenselijk. In die zin kan dan gesproken worden over het voorgestelde raadgevende correctieve referendum als een erg nuttig aanvullend instrument dat de burger meer invloed geeft op de besluitvorming, daardoor hopelijk enigermate zal bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de burger in de politiek, en wellicht de volksvertegenwoordiging zal aanzetten tot een extra ronde van bezinning. Al die elementen zijn van niet te onderschatten belang voor de verbetering en modernisering van de democratische processen in ons land die te lang onveranderd zijn gebleven.
Dan nu naar het volgende initiatiefwetsvoorstel 30174, dat over het correctief referendum. Dit is veel verder strekkend dan het eerder besproken voorstel omdat het een grondwetswijziging vereist. En dat is bepaald geen sinecure. Het debat vandaag over deze overwegingswet betekent de eerste stap in de voorgeschreven procedure. Mede gezien de voorgeschiedenis vereist het de nodige bezinning om te besluiten welke elementen wel als verankering in de grondwet opgenomen moeten worden, en welke elementen beter separaat in uitvoeringswetten geregeld kunnen worden.
Een vraag die zich opwerpt is of beide wetsvoorstellen naast elkaar kunnen bestaan, of dat het tweede voorstel een aangescherpte versie van het eerste is die op termijn het eerste overbodig zou maken. De initiatiefnemers betogen, en naar de mening van mijn fractie overtuigend, dat beide wetsvoorstellen als complementaire instrumenten gezien kunnen worden, die naast elkaar kunnen bestaan en ook zullen blijven bestaan.
Duidelijk is dat bij een correctief referendum dat bindend is, duidelijke en stringente eisen aan de representativiteit gesteld moeten worden. De keuze van de initiatiefnemers om de drempels in een aparte uitvoeringswet op te nemen, onderschrijft mijn fractie. Een discussie over drempels nu is daarom voorbarig.
Samenvattend, mijn fractie ondersteunt het voornemen om de grondwet te wijzigen, om dezelfde redenen die door mij al uitgebreid aan de orde zijn gesteld bij het raadgevend correctief referendum. Nadat het principe in de grondwet is vastgelegd, komen de uitvoeringsaspecten nog uitgebreid aan de orde. Tegen die tijd buigen we ons over de details.
Hiermee ben ik aan het einde van mijn eerst termijn gekomen. Ik kijk met belangstelling uit naar de reacties van initiatiefnemers en minister.
Den Haag, 8 april 2013