C.A. de Lange (OSF)
Mevrouw de voorzitter,
Het onderwerp Europa is een ‘mer à boire’, een zee ook waarin je gemakkelijk kunt verdrinken. Ik zal me daarom vandaag beperken tot twee onderwerpen. Eén daarvan is van recente datum, maar inhoudelijk nauwelijks nieuw. Het betreft de gespannen relatie tussen de EU en Rusland. Het tweede onderwerp is ouder dan ons lief is, en betreft de voortwoekerende financieel-economische en monetaire crisis in de EU. Bij dat laatste onderwerp dient ook de alsmaar voortgaande overdracht van onze nationale soevereiniteit aan een niet democratisch Europa aan de orde te komen. Voorwaar genoeg materiaal voor één debat.
Op vrijdag 21 maart ondertekende de Russische president Poetin een verdrag dat de aansluiting van de Krim bij Rusland regelde. Daarmee werden de wereld en Europa voor een voldongen feit gesteld, en de verbale verontwaardiging was groot. Regeringen grossierden in woorden als ‘onaanvaardbaar’, maar accepteerden tegelijkertijd onmiddellijk de nieuwe status quo. Het woord ‘sanctie’ was niet van de lucht, maar wat na veel gepalaver uit de bus kwam was een zeer verwaterde versie van een effectief sanctiebeleid. Niets wijst er dan ook op dat Rusland zich onder de indruk betoont van de reacties van het Westen en zich zou matigen in zijn geopolitieke ambities. Integendeel, dezelfde machtspolitiek die leidde tot annexatie van de Krim wordt nu ingezet om grote delen van Oekraïne onder directe of indirecte Russische controle te brengen.
De echte vraag is natuurlijk hoe het zo ver heeft kunnen komen. Historisch gezien heeft Rusland weinig redenen om veel vertrouwen in West-Europa te hebben. Van Napoleon tot Hitler heeft het Russische volk, overigens met medewerking van Stalin, een lijdensweg gekend die in elk geval in Europa uniek is. Dat historische wantrouwen is in essentie nooit weggenomen, en ook na de Tweede Wereldoorlog liggen de onderlinge verhoudingen vooral vast in termen van invloedssferen en geopolitieke overwegingen. Wat vooral verbaast is de verbazing van Europa over de ongegeneerde inzet door Rusland van botte machtspolitieke middelen om zijn territoriale belangen na te streven. West-Europa heeft zich, ondanks voortdurende waarschuwingen van landen in Europa die ervaringen uit de eerste hand met Rusland hadden (ik noem onder meer de Baltische staten, Polen, Hongarije), decennia lang in slaap laten sussen in het vertrouwen dat de toegenomen economische verstrengeling vooral op energiegebied de scherpe kanten van de relatie met Rusland zou afvijlen. Dat bleek opeens niet het geval, en in die zin heeft de Europese politiek sinds 1945 gefaald.
Om machtspolitiek het hoofd te bieden, is tegenmacht noodzakelijk. Daarbij kan met name gedacht worden aan militaire of aan economische macht. Waar staat Europa op deze punten? Allereerst de militaire positie. De enige landen in Europa die nog iets van militaire capaciteit bezitten en ook bereid zijn die zo nu en dan in te zetten zijn Engeland en Frankrijk. Duitsland gaat nog altijd gebukt onder het trauma van de Tweede Wereldoorlog, en blijft zeer terughoudend als het gaat om het uitoefenen van militaire afschrikking. De kleinere landen in Europa kenmerken zich door steeds afnemende defensiebudgetten. Bovendien is geen enkel land bereid de directe zeggenschap over zijn eigen militaire middelen uit handen te geven aan of zelfs maar te delen met medelidstaten. Terzijde merk ik op dat dit in schril contrast staat met het gemak waarmee de soevereiniteit over de eigen monetaire en financieel-economische belangen door diezelfde landen wel uit handen wordt gegeven. De militaire afschrikking die Europa kan leveren is nagenoeg betekenisloos zonder de veruit dominerende bijdrage van de Verenigde Staten. Geconstateerd mag worden dat de militaire machtsmiddelen die Europa bezit in het huidige conflict geen gewicht in de schaal leggen. Dat laat nog onverlet dat ook de wil in West-Europa ontbreekt om zich op welk gebied ook grote opofferingen te getroosten om de Russische expansiepolitiek en politieke chantage het hoofd te bieden.
Hoewel het mag bevreemden dat de politieke veroordeling van Rusland en de sanctiediscussie vooral het domein van de Verenigde Staten zijn, terwijl Europa aan de zijlijn staat, zijn de handelsbelangen van de Verenigde Staten met betrekking tot Rusland zeer gering. Dat staat in schril contrast met West-Europa dat zichzelf in vergaande mate afhankelijk heeft gemaakt van Russische energielevering, met name gas. Duitsland en Italië spannen daarbij de kroon. Jarenlang hebben we gedaan alsof Gazprom, de Russische energiegigant, een normaal bedrijf was waar je normaal zaken mee kon doen. Al jaren geleden zou een kort gesprek met de ervaringsdeskundigen als Oekraïne of de Baltische Staten hebben uitgewezen dat het hier niet gaat om een bedrijf in de westerse zin van het woord, maar om een verlengstuk van de Russische staatsmacht die naar believen kan worden ingezet door Poetin en consorten. ‘An inconvenient truth’, dus laten we maar de andere kant opkijken, was de overwegende houding in West-Europa. Het is echter nooit te laat om te leren. Hopelijk is nu ook eindelijk duidelijk geworden aan het neoliberale volksdeel dat zeggenschap over de eigen essentiële belangen als energie niet verpatst moet worden aan buitenlandse mogendheden die een heel andere agenda bezitten dan het drijven van handel op basis van algemeen aanvaarde internationale spelregels en fatsoensnormen. Ook het in de uitverkoop doen van de Nederlandse gasinfrastructuur door onze eigen regering kan in het licht van de huidige ontwikkelingen als naïef en onverantwoordelijk handelen gekarakteriseerd worden. Het zet helaas de deur open naar politieke chantage waartegen effectief verweer uiterst moeilijk blijkt.
Door de energieafhankelijkheid is het sanctiewapen in elk geval een tweesnijdend zwaard geworden. Inzet ervan zal zowel Rusland als West-Europa hard treffen. De Russische machthebbers hebben echter in de praktijk meer mogelijkheden om de eigen bevolking ongestraft langdurig met economische ellende te confronteren. In West-Europa ligt dat anders. Van de 28 landen van de EU zijn er 17 die tengevolge van directe eigen ervaringen uit het nabije verleden uitermate bezorgd zijn over de Russische chantage en voorstanders van krachtige tegenmaatregelen. Het Latijnse gezegde ‘hodie mihi, cras tibi’ vat hun gerechtvaardigde vrees aardig samen. De overige lidstaten worden vooral gekenmerkt door hedonisme en door verwende bevolkingen die niet bereid zijn zich opofferingen te getroosten voor wat men als ‘slechts’ een principiële aangelegenheid ziet. Van bijtende economische sancties tegen Rusland zal het dus niet snel komen.
De EU heeft ingezet op een beleid van ‘oostelijk partnerschap’ ten aanzien van landen die niet tot de EU en evenmin tot Rusland behoren. Helaas is die politiek ontaard in een strijd tussen de EU en Rusland om invloedssferen, met de ongewenste resultaten die we vandaag allemaal kunnen waarnemen. Teveel is aan landen die thans op geen enkele wijze en in elk geval niet eerder dan pas in de verre toekomst aan alle in redelijkheid te stellen eisen voor toetreding tot de EU voldoen, gesuggereerd dat partnerschap een opstapje naar veel meer was. Het scheppen van dat beeld is een gevaarlijke illusie die niet waargemaakt kan worden, en slechts tot onbegrip en frustratie zal leiden. Bij Oekraïne is dat precies wat nu speelt. Europa verleent vele miljarden steun, geld van de belangbetaler dus, aan een land dat instabiel, politiek verdeeld en uitermate corrupt is, uitsluitend als antwoord op de Russische chantage. Het is uitermate dubieus of dit een doeltreffende politiek is. Vooralsnog zet het de verhoudingen alleen maar op scherp, zonder veel uitzicht op verbetering voor de bevolking van Oekraïne. Een typisch geval van veel beloven en weinig geven dus.
Vaak kunnen we de klacht beluisteren dat we voor onze essentiële grondstoffen zo afhankelijk zijn van landen met kwestieuze en weinig democratische overheden. In feite is dat erg begrijpelijk. Voor een land dat zijn rijkdommen uit de grond haalt en die tegen aantrekkelijk prijzen op de wereldmarkt kan slijten, of het nu om olie, gas, zeldzame metalen of wat dies meer zij gaat, is er geen enkele aanleiding zijn interne structuur te veranderen. Dictatoriale regimes en machthebbers hebben zonder uitzondering grote persoonlijke belangen bij handhaving van de status quo, en er zijn meer dan genoeg middelen om de bevolking te onderdrukken of af te kopen. Investeren in zaken als onderwijs en ontwikkeling? Daar is in dat soort landen geen enkele aanleiding voor. Het hoeft geen verbazing te wekken dat landen met veel natuurlijke rijkdommen in de meeste gevallen ook intellectuele woestijnen zijn. Afhankelijkheid van dit soort regimes kan soms onvermijdelijk zijn, maar is doorgaans ongewenst. Het voeren van een politiek die deze problematiek ontkent, leidt altijd weer tot allerhande spanningen en meer. Wanneer leren we er eindelijk iets van?
Ik ga nu naar mijn tweede onderwerp, de financieel-economische en monetaire crisis in Europa. Van veel kanten kunnen we beluisteren dat de crisis over zou zijn, en dat de signalen eindelijk weer op groen staan. Laten we analyseren of dat allemaal wel klopt, of dat we hier te maken hebben met een publicitair offensief dat er vooral op gericht is de verkiezingen voor het Europese Parlement van mei 2014 te beïnvloeden. In eigen land suggereert de regering in elk geval nogal onbeschaamd dat de vooruitgang die men bespeurt een direct gevolg is van het gevoerde kabinetsbeleid. Er zijn goede redenen om hier grondige twijfels over te hebben. Laten we op wat details ingaan.
Om te beginnen doet zich in ons land momenteel een merkwaardig fenomeen voor. Nu het overheidstekort vermindert, staan coalitiepartijen en hun ‘constructieve’ steunverleners in de rij, elk met hun eigen ideeën over hoe de huid van de nog te schieten beer verdeeld kan worden. Jarenlang is de bevolking gehersenspoeld met de noodzaak van zeer ingrijpende bezuinigingen, zo zelfs dat allerhande noodzakelijke investeringen ervoor uitgesteld moesten worden, zo zelfs dat ernstige koopkrachtverliezen van grote groepen mensen onvermijdelijk maar ook aanvaardbaar geacht werden. Maar wat gebeurt er nu de minister van Financiën bereid is de teugels enigszins te laten vieren? Wordt er nu extra geïnvesteerd in onderwijs en onderzoek? Krijgen die groepen in onze samenleving die het meest aan koopkracht ingeboet hebben na jaren een steuntje in de rug? Wordt er een extra impuls gegeven aan de broodnodige innovatie waar dit kabinet plus aanhang zo graag de mond van vol heeft? Niets van dat alles. Gekozen wordt voor consumeren in plaats van investeren, gekozen wordt voor het bevoordelen van een beperkte categorie werkenden met een bovenmodaal salaris. Niet omdat zij de groep mensen zijn die het meest geleden hebben onder de crisis, niet omdat er geen andere grote groepen in de samenleving zijn die heel wat meer aan koopkracht hebben ingeleverd in de afgelopen jaren, niet omdat ons land geen enorme problemen heeft op het gebied van onderwijs, zorg en huisvesting. Op een wijze die alle fatsoensnormen tart, wordt via de genante uitruilpolitiek waarin dit kabinet excelleert gekozen voor het toespelen van een extra bonus aan mensen die het toch al niet slecht hebben, waarbij werkenden bevoordeeld worden boven al die miljoenen gepensioneerden die een levenlang gewerkt hebben, waarbij grote groepen mensen aan de onderkant van de samenleving die buitengesloten zijn van de arbeidsmarkt maar weer eens genegeerd worden. Mijn fractie walgt van deze politiek die ongegeneerd ‘Fressen’ boven ‘Moral’ stelt. Als dit de wijze is waarop de Nederlandse samenleving sterker en socialer uit de crisis komt, dan valt er veel begrip op te brengen voor al die burgers die hun vertrouwen in de politiek definitief bij het grofvuil hebben gezet. Zo, dat lucht op.
Bij ieder serieus debat over Europa speelt het probleem van het overdragen van nationale bevoegdheden naar een ondemocratische en bureaucratische Brusselse Europese Commissie een sleutelrol. Juist door de economische crisis is het overdragen van bevoegdheden, met name op financieel-economisch en monetair gebied, in een stroomversnelling gekomen. De bevoegdheden van de ECB zijn opgeblazen tot voorheen ondenkbare proporties, alleen maar om een gemeenschappelijke munt ten koste van onnavolgbare Draghiaanse kunstgrepen overeind te houden. De prijs die de Europese burgers daarvoor betalen is hoog. In een land als Griekenland is een economische en vooral ook sociale ravage aangericht waarbij het merendeel van de gevolgen van de crisis op het bord van de zwakkeren in de samenleving gedeponeerd is. Jongeren, werkenden, werklozen, zieken en gehandicapten zijn massaal slachtoffers van het gevoerde beleid. De beter bedeelde Grieken hadden hun belangen al lang in diverse buitenlanden ondergebracht. Goed opgeleide jongeren hebben het land verlaten om nooit meer terug te keren. Bij andere landen in Zuid-Europa is het iets beter, maar niet veel. Eveneens zorgwekkend is de situatie in Frankrijk, waar het beleid van de regering Hollande de bijl aan de wortel van de euro als eenheidsmunt betekent. Voor wie de feiten onder ogen wil zien, is er weinig reden tot optimisme. Niet zonder reden wordt vaak gesteld dat optimisten realisten met een gezichtsbeperking zijn.
Laten we voor een goede analyse een tiental feiten en recente ontwikkelingen op een rij zetten:
- Europa blijft op wereldschaal economisch achter, en binnen Europa blijft Nederland achter bij de meeste andere landen;
- Er zijn ernstige en naar de mening van een groeiend aantal deskundigen onoverkomelijke problemen met de euro als eenheidsmunt als gevolg van een kwestieuze ‘one-size-fits-all’ benadering voor economieën die onderling te veel verschillen;
- De huidige crisis wordt gebruikt, of misbruikt zo u wilt, als rechtvaardiging voor allerlei soevereiniteitsoverdrachten die zonder de crisis ondenkbaar zouden zijn;
- Europa fungeert als een financiële transferunie, waarbij de belastingbetaler in Noord-Europa opdraait voor de kosten en de risico’s van de tekort schietende en onvoldoende competitieve economieën in Zuid-Europa;
- De bewuste lage rente politiek van de ECB heeft ernstige negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld het pensioenstelsel in Nederland, met desastreuze gevolgen voor de koopkracht van de huidige en toekomstige generaties gepensioneerden;
- Een Europese bankenunie waarbij zeggenschap van de nationale centrale banken wordt overgeheveld naar en steeds meer politiek gemanipuleerde ECB wordt als onvermijdelijk, noodzakelijk, en zelfs wenselijk gekenschetst;
- Er wordt reeds gesproken over een Europees deposito garantiestelsel, waarbij aangetekend kan worden dat bij het SNS debacle in Nederland het de belastingbetaler was die tegen alle afspraken in 3,7 miljard mocht ophoesten;
- Uit prestigeoverwegingen wordt zelfs een rationele discussie over hoe de financieel-economische en monetaire problemen aangepakt en deels opgelost kunnen worden bewust gefrustreerd;
- Het democratische tekort dat boven het Brusselse functioneren hangt, wordt systematisch gebagatelliseerd, maar niet opgelost;
- De politieke stabiliteit en het vertrouwen van de burger in de toekomst van Europa staan in verschillende landen waaronder met name ook Nederland onder toenemende en misschien onweerstaanbare druk.
Het geheel overziend, baart de situatie in Europa grote zorgen. Een langdurige terugkeer van de koude oorlog lijkt zeer wel denkbaar, en de nog zeer broze tekenen van economisch herstel kunnen weer gemakkelijk in hun tegendeel verkeren. Wat in het licht van deze zorgwekkende ontwikkelingen in Nederland node gemist wordt, is een kabinet dat de burger vertrouwen geeft dat hun toekomst bij deze regering in goed handen is. Een voortdurend schaterlachende premier die alsmaar probeert illusies af te schilderen als feiten overtuigt steeds minder burgers. Een kabinet dat handjeklap tot bestuursvorm heeft verheven, ontbeert een moreel kompas en dwingt steeds minder respect af. Het bagatelliseren van problemen en het ontbreken van een overtuigende visie op waar oplossingen gezocht en wellicht gevonden kunnen worden, het uitsluitend debiteren van retoriek waar rationele discussie geboden is, dat zijn precies de zaken waar een goed opgeleide en kritische burger in deze tijd geen genoegen meer mee neemt. Dat laatste ziet mijn fractie overigens als vooruitgang.
Laat me tot een afronding komen. Als onderdeel van Europa kunnen we in Nederland onmogelijk tegen Europa zijn. Een Europa waarin economische samenwerking hoog in het vaandel staat, een Europa waar politieke consensus breed wordt nagestreefd, een Europa dat zich er tegelijkertijd scherp van bewust is dat de wereld een onvriendelijke en gevaarlijke plaats is, een Europa waar onze nationale en culturele verschillen worden gezien als een ‘asset’ in plaats van een ‘liability’, een Europa dat wordt gevormd door onafhankelijke naties die intensief samenwerken met maximaal behoud van hun eigen nationale bevoegdheden en soevereiniteit, een Europa dat de belangen van allen en niet alleen die van een politieke of economische elite dient, zo’n Europa is precies wat veel burgers voor ogen staat. Waarom dwalen we daar steeds verder van af? Dat is naar mijn mening waar het debat van vandaag over moet gaan.
Ik wacht met belangstelling maar zonder al te overspannen verwachtingen de reactie van de regering af.
Den Haag, 15 april 2014