Debat herschikken gronden voor asielverlening

33293 Herschikken gronden voor asielverlening
C.A. de Lange (OSF)

Asielbeleid is voor opeenvolgende regeringen een hoofdpijndossier geweest. De verwachting is bovendien gerechtvaardigd dat dit nog wel even zo zal blijven. Het gaat immers om diverse dilemma’s die totaal ongelijksoortige afwegingen vierkant tegenover elkaar plaatsen. Ook is het zinvol na te gaan wat we met diverse begrippen die bij het asielbeleid centraal staan eigenlijk precies bedoelen. Laten we een korte analyse maken voordat we ons op het feitelijke wetsvoorstel richten.

Dat Nederland een humanitaire plicht heeft om binnen de grenzen van het redelijke en mogelijke bij te dragen aan het helpen aanpakken van het asielvraagstuk staat buiten kijf. Deels is dat vastgelegd in internationale verdragen, deels ook heeft ons land terecht een eigen beleid op dit punt. Dat laatste is verstandig omdat ons land in veel opzichten niet vergeleken kan worden met andere landen. In elk geval dient elke onafhankelijke staat zeggenschap te houden over zijn eigen belangen, waarbij onder meer bevolkingsdichtheid en maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol spelen. Ook moeten we ons hoeden voor de gedachte dat ons land op eigen kracht het leed der wereld op de schouders zou moeten of kunnen nemen.

Niet alle asielzoekers zijn wat ze zeggen dat ze zijn. De samenstelling van de populatie varieert van crepeergevallen tot gelukzoekers. Om binnen de samenleving draagvlak te behouden voor opvang van de echte probleemgevallen, is het van belang snel en helder te beslissen over de individuele gronden die kunnen leiden tot een asielstatus. Dat is niet eenvoudig omdat in veel gevallen de mogelijkheden tot identificatie al dan niet opzettelijk ontbreken. Niettemin staat de overheid tegen wil en dank voor de opgave deze uitdaging aan te gaan.

Opvang van asielzoekers in de regio waar zij vandaan komen, ligt in veel opzichten voor de hand. In de regio zijn in het algemeen de leefomstandigheden vergelijkbaar met die in het land van herkomst, waardoor de kansen op een toekomstige terugkeer aanwezig blijven. Helaas zijn de brandhaarden van deze wereld doorgaans omgeven door landen die vergelijkbare problemen kennen. Dit leidt tot een olievlekeffect waarbij probleemgevallen zich over een groot deel van de wereld verspreiden. Bovendien lijkt er een positieve correlatie te bestaan tussen de keuze van een asielzoeker voor een bepaald land en het welvaartsniveau, de mate van gastvrijheid en de humanitaire traditie die dat ontvangende land kenmerken. Heeft de staatssecretaris gegevens die dit vermoeden van een aanzuigende werking zouden kunnen bevestigen of juist ontkrachten?

Om de instroom te reguleren is wetgeving nodig. Zoals alle wetgeving dient ook deze zich te richten op een globale aanpak van problemen, waarbij casuïstiek op basis van individuele gevallen vermeden dient te worden. Ook zou idealiter wetgeving zo eenvoudig mogelijk moeten zijn, in het belang van een snelle afhandeling van asielaanvragen. Juist snelheid van afhandeling is essentieel, om te voorkomen dat asielzoekers gedurende vele jaren in een soort van juridisch niemandsland ronddwalen. Met name voor kinderen is het niet aanvaardbaar hen gedurende lange tijd in ons land te laten opgroeien zonder klaarheid te geven over een definitieve verblijfsvergunning. Steeds weer leidt dit tot situaties waar individueel leed en onrecht de discussie over een wenselijke globale aanpak overheersen. Dit is ongewenst en ondermijnt het draagvlak voor goede wetgeving.

De wetgeving op asielgebied is complex en heeft geleid tot een hele asielindustrie, deels legaal deels illegaal, met onmiskenbare eigen belangen die de samenleving op hoge kosten jaagt en de asielzoeker veel te lang in onzekerheid laat. Het hele aspect van de illegale internationale mensenhandel die grof geld verdient aan de ellende van velen, laat ik dan nog maar buiten beschouwing. Dat probleem vereist een gecoördineerde internationale aanpak die helaas nog ver weg is, als die er ooit komt. Terug dus naar de situatie in Nederland. Naarmate wetgeving complexer is, nemen de beroepsmogelijkheden toe. Ook een groeiend aantal subcategorieën zoals verwesterde Afghaanse meisjes of asielzoekers uit Iran met een bepaalde seksuele geaardheid draagt door het groeiende aantal beroepsgronden niet bepaald bij aan de eenvoud en slagvaardigheid van het systeem. Uiteraard dient wetgeving zorgvuldig te zijn, maar als de schijn van zorgvuldigheid in de weg staat van de snelheid van afhandeling zijn we uiteindelijk toch niet op de goede weg. Hier valt een wereld te winnen, en graag hoor ik op dit punt de reactie van de staatssecretaris.

Het voorliggende wetsvoorstel beoogt op een aantal punten nationale wetgeving op te geven ten gunste van overkoepelende Europese wetgeving. Als dit een algemeen politiek uitgangspunt zou zijn, maakt dit het lastiger specifieke Nederlandse belangen mee te laten spelen in de te maken afwegingen. Weliswaar is er hier sprake van vereenvoudiging, maar tot welke prijs? Mijn fractie plaatst dan ook vraagtekens bij een aantal elementen van het wetsvoorstel.

Een moeilijk punt is en blijft het onderwerp van de gezinshereniging. Ik heb het wetsvoorstel zorgvuldig doorgelezen om een definitie van het begrip ‘gezin’ te vinden. Dat was vergeefse moeite. Niettemin is het van groot belang vooraf helderheid te krijgen over wat we met een ‘gezin’ bedoelen voor we over herenigen gaan praten. Zelfs mèt een goede definitie is gezinshereniging een onderwerp met een grote mate van fraudegevoeligheid. Zonder een goede definitie mag men zeker niet aannemen dat de fraudegevoeligheid afneemt. In elk geval draagt gezinshereniging, hoe begrijpelijk ook op humanitaire gronden, in belangrijke mate bij aan de getalsmatige omvang en dus de kosten van de asielproblematiek. Omdat er bij gezinshereniging ook vaak jonge kinderen in het geding zijn, neemt het aantal gevallen dat in potentie langdurig bungelt en dus schrijnend kan worden toe. Waar praten we dus over en om welke aantallen gaat het? Graag hoor ik de cijfers.

Als we spreken over gezinshereniging en over de gezinsband, bedoelen we dan het samenlevingsverband tussen twee heteroseksuele partners, een man en een vrouw, met hun gezamenlijke eventuele kinderen? Of hanteren we een veel ruimere definitie, die bijvoorbeeld ook partnerschappen tussen partners van hetzelfde geslacht met eventueel geadopteerde kinderen omvat? Of spreken we ook van een gezin in geval van één man met meerdere vrouwen zoals in grote delen van de wereld niet ongebruikelijk is? Of hanteren we een heel andere definitie die heel andere vormen van relatievorming inclusief bijbehorende eigen of geadopteerde kinderen betreft? En hoe gaan we om met een asielzoeker in Nederland die vervolgens een relatie aangaat met iemand in zijn land van herkomst of daarbuiten? En als we al tot een eensluidende definitie komen, hoe gaan we dat controleren? Graag hoor ik van de staatssecretaris een heldere uiteenzetting van wat wel en wat niet als gezin wordt beschouwd, en wat wel of niet onder gezinshereniging kan vallen. Hoe groot schat de staatssecretaris het risico dat onder het kopje gezinshereniging een sluiproute bestaat of ontstaat die ongewenst is? Het wetsvoorstel gaat in elk geval niet op dit soort voor de hand liggende vragen in.

Samenvattend, mijn fractie is voorstander van vereenvoudiging en stroomlijning van bestaande asielprocedures. Een snelle en kritische afhandeling van asielaanvragen is in het belang van zowel asielzoekers als van de Nederlandse samenleving. Een slagvaardige aanpak zal de aantrekkingskracht die nu soms nog op oneigenlijke gronden van ons land uitgaat ongetwijfeld verminderen. Om dezelfde reden is een kritisch beschouwing van de problematiek van gezinshereniging noodzakelijk. Tenslotte rijst de vraag in hoeverre de regering in de toekomst nog ruimte ziet voor een eigen invulling van ons asielbeleid, in aanvulling op of ter aanscherping van Europese regelgeving. Op sommige punten is het voorliggende wetsvoorstel een stap in de goede richting, op andere punten bestaan twijfels. Ik wacht de reactie van de staatssecretaris met belangstelling af.

Den Haag, 12 november 2013