C.A. de Lange (OSF)
Mevrouw de voorzitter,
Het is natuurlijk een genoegen als je kunt deelnemen aan een beleidsdebat dat dit keer eens helemaal op het terrein van je eigen bijna levenslange expertise ligt. Als ervaren en nog steeds actieve natuurwetenschapper, docent, begeleider van talloze promovendi, auteur van een lange reeks wetenschappelijke publicaties in internationale tijdschriften, spreker uitgenodigd op talloze internationale conferenties, voormalig decaan van de grootste faculteit scheikunde van ons land, manager van Europese projecten, regelmatig expert bij EU panels ter beoordeling van Europese onderzoeksvoorstellen, en met een internationale ervaring die zich uitstrekt over vele jaren en vrijwel alle werelddelen, de uitgangspositie als bescheiden deelnemer aan dit debat lijkt redelijk goed. Hoe kan het dan toch dat ik op zoveel punten fundamenteel met deze regering van mening verschil? En ik niet alleen? Tijd voor een analyse.
Innovatie is een prachtig woord met een positieve gevoelsinhoud. Bovendien komt dit woord zelden alleen langs. Vaak, te vaak, treedt het op in combinatie met al even prachtige woorden als duurzaamheid, vergroening, participatie, en wat dies meer zij. Al die woorden hebben één ding gemeen, er is geen fatsoenlijke sluitende definitie beschikbaar, en niemand weet wat zij nu werkelijk betekenen. En al te vaak krijg je het gevoel dat dit eigenlijk wel erg goed uitkomt. Zo kun je door deze woorden te gebruiken bij de toehoorder een mooi en warm gevoel oproepen, zonder dat je als politicus vastgeprikt kunt worden op enige concrete bedoeling of invulling. Dat dit voor elke natuurwetenschapper natuurlijk een gruwel is, blijkt helaas niet doorslaggevend. Ik kom daar op terug.
Uiteraard benader ik mijn begrip van wat innovatie inhoudt vanuit de natuurwetenschappen. Ik meen dat het minister Plasterk was, die toen hij nog geen minister was betoogde dat het de alfa’s zijn die praten over innovatie, maar dat de bèta’s er ook daadwerkelijk invulling aan geven. Een open deur natuurlijk, maar in de context van de politiek en van het politieke debat toch niet zo open dat deze stelling niet regelmatig nadrukkelijk onderstreept en herhaald dient te worden. Ik zal me niet in voorbeelden storten, want daarvoor is deze dag of zelfs deze hele week veel te kort. Innovatie dient dus naar mijn overtuiging vooral vanuit de optiek van de natuurwetenschappen beschouwd en bediscussieerd te worden. En natuurlijk, ik zeg het minister Plasterk na, ook ingevuld te worden.
Dat niet iedereen in dit huis die mening zal delen, is uiteraard een gegeven. Daarom houden we ook af en toe een debat. Niettemin komt de beste steun voor dit uitgangspunt vanuit onverdachte hoek, namelijk middels een rapport van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) onder de veel belovende titel ‘De kracht van sociale innovatie’. Ik heb dat rapport met toenemende verbazing, en laat me eerlijk zijn, met groeiende ergernis gelezen. De boodschap komt kort en niet zo goed hier op neer dat we met zijn allen geen idee hebben wat sociale innovatie is, maar dat het allemaal buitengewoon veelbelovend is, en dat we daar aanzienlijke investeringen in moeten plegen. Om de inhoudelijke leegte te maskeren, grossiert het rapport in Engelstalig gecursiveerd jargon dat uiteraard evenmin helderheid verschaft. Als dit kabinet beweert dat zo af en toe bezuinigingen tot een verbetering van bestaande situaties kunnen leiden, zou een snelle opheffing van de AWT waarschijnlijk het sleutelvoorbeeld kunnen zijn dat in elk geval mij zou overtuigen. Maar terug naar werkelijke innovatie.
De sleutel tot innovatie is onderwijs, en vooral onderwijs in de natuurwetenschappen. Vanaf lager tot en met hoger onderwijs dienen leerlingen en studenten vooral opgeleid worden tot het ontwikkelen van hun eigen intellectuele maar ook handvaardige vermogens. Met name bij het hoger onderwijs (vooral voor de universiteiten, veel minder van belang bij het hoger beroepsonderwijs) komt hier nadrukkelijk de component van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek bij. Laat me nadrukkelijk stellen dat het opzetten en begeleiden van hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek een vak is waarvoor een zeer grondige training met een sterk internationaal focus vereist is. Niet iedereen die in staat is een promotie te voltooien, is daarmee ook een goed onderzoeksleider en begeleider van promovendi. Evenmin kan iedereen zich tot een competent onderzoeker ontwikkelen.
Onderwijs en onderzoek van hoog niveau zijn bijna per definitie elitaire aangelegenheden, waarbij elitair uiteraard in de intellectuele zin, en bepaald niet in de maatschappelijke zin bedoeld wordt. Het is naar mijn mening een rampzalige illusie om te vermoeden en te verwachten dat meer dan de helft van de bevolking met goed gevolg hoger onderwijs kan volgen, of we zouden bereid moeten zijn de kwaliteit van datzelfde hoger onderwijs tot nieuwe dieptepunten te laten dalen. Die tendens is overigens nadrukkelijk aanwezig, waarbij de perverse prikkels van een financieringssysteem dat stuurt op instroom en output door velen onderkend, maar door niemand uitgebannen zijn. De recente discussie over het beperken van de instroom van MBO studenten tot Pabo opleidingen, die op zichzelf al los van dit probleem jaren lang voorwerp van ernstige kritiek zijn, vormt een illustratie die door collega Thom de Graaf buiten deze Kamer overtuigend over het voetlicht is gebracht. Liever dan dit als een op zichzelf staand incident te beschouwen, ben ik van mening dat we hier kijken naar het topje van het soort gigantische ijsberg dat het einde van de Titanic betekende.
Als we de kwaliteit van onderwijs en onderzoek benadrukken, over wat voor soort kwaliteit spreken we dan eigenlijk? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat het onderwerp waar ik in de afgelopen paar jaar wetenschappelijke artikelen over geschreven heb en voordrachten op congressen over gehouden heb, tien jaar geleden überhaupt niet bestond.
Het overdragen van geaccepteerde feiten als kernactiviteit van ons onderwijs is niet bijzonder zinvol. Die feiten zijn binnen de kortste keren verouderd of tot irrelevantie gereduceerd. Wat dan wel? De essentie van onderwijs en onderzoek in de natuurwetenschappen is het stimuleren van het probleemoplossend vermogen van alle betrokkenen. Te leren hoe een schijnbaar onhanteerbaar gecompliceerd probleem opgesplitst kan worden in deelproblemen die met beschikbare technieken stuk voor stuk met succes aangepakt kunnen worden, is de werkelijke kernactiviteit van onderwijs en onderzoek in de natuurwetenschappen. Het opleiden van studenten op terreinen van gisteren die voor het bedrijfsleven van vandaag van belang zijn, is een totale miskenning van wat er werkelijk van belang is, en van wat de drijvende kracht achter innovatie is. Dat veel bedrijven dat niet begrepen hebben, is geen reden hier als overheid naar te luisteren, hoewel de verleiding voor sommige politieke partijen om de oren naar datzelfde bedrijfsleven te laten hangen kennelijk onweerstaanbaar groot is. Mijn eigen ervaring met een volwassen bedrijf als ASML is gelukkig positiever. Daar is men niet zozeer geïnteresseerd in werknemers die vanaf het begin in het bedrijfsgareel lopen, maar juist in die kandidaten die bewezen hebben dat probleemoplossend vermogen, op welk gebied ze die vaardigheden ook maar hebben verworven, bezitten. Ik ben er trots op dat diverse van mijn promovendi bij een dergelijk bedrijf zijn terechtgekomen. Zou het succes van ASML misschien iets met deze verlichte inzichten te maken kunnen hebben? De vraag stellen, is hem natuurlijk beantwoorden.
En dan nu de relatie tussen natuurwetenschappelijk fundamenteel wetenschappelijk onderzoek waarin onze universiteiten op diverse terreinen, met name de natuurkunde, sterk zijn, en toegepast onderzoek met een commerciële missie zoals dat in het multinationale bedrijfsleven wordt verricht. De doelstellingen zijn verschillend, en dat moet vooral zo blijven, maar wellicht kan er een succesvolle kruisbestuiving plaats vinden waar beide partijen baat bij hebben. En als we denken dat dit een goed idee is, en dat kan het zeker zijn, hoe gaan we dat dan inrichten? Boeiende vragen, met een lange voorgeschiedenis. Laten we een aantal prikkelende voorbeelden de revue laten passeren. Wellicht leren we er iets van.
Laat me om te beginnen het belang onderstrepen van het ouder worden. Daar waar het collectieve geheugen ons helaas vaak in de steek laat, kan het individuele geheugen soms een nuttige rol vervullen. Zo ook op het gebied van de katalyse, een sleutelbegrip in de scheikunde zonder welk vrijwel geen enkel chemisch industrieel proces denkbaar is. Ik zal u een college over het onderwerp besparen. Met een beter begrip van katalyse zijn enorme wetenschappelijke en financiële belangen gemoeid, en het is dan ook geen wonder dat alle multinationals die er toe doen in het verleden grote onderzoeksinspanningen op dit gebied leverden, die zich uitstrekten van fundamenteel onderzoek tot experimenten op proeffabriek schaal. Ik spreek hierover in de verleden tijd, dus kennelijk is er iets veranderd. Dat klopt, en wat was dat dan? Wel, het grootste deel van het kwalitatief hoogstaande katalyseonderzoek is overgeheveld van de bedrijfslaboratoria naar de universiteiten. De betrokken medewerkers uit de industriële laboratoria werden benoemd tot universitaire hoogleraren, en via grote subsidies van bijvoorbeeld de Stichting Technische Wetenschappen (STW), maar ook van toen nog de Stichting voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO), werd dit onderzoek krachtig gesteund. Dezelfde bedrijven die dit onderzoek afstootten zaten wèl op de eerste rij in de begeleidingscommissies. Ideaal, want zo konden zij kennis nemen van alle researchresultaten en waren zij in een uitgelezen positie om de meest veelbelovende promovendi reeds lang voor hun promotie aan zich te binden. De minder veelbelovende promovendi bleven simpelweg het probleem van de universiteiten. Dat het bedrijfsleven op die manier het beste van twee werelden kreeg, moge duidelijk zijn. Bij de faculteiten scheikunde werden andere vormen van wetenschappelijk onderzoek dus verdrongen door katalyseresearch. In feite namen de universiteiten over wat het bedrijfsleven wenste af te stoten. Een goed voorbeeld van grootschalige indirecte subsidie aan het bedrijfsleven.
Ik kom nu zo langzamerhand aan bij de topsectoren, die naar mijn mening eveneens een grootschalige indirecte subsidie aan het bedrijfsleven betekenen ten koste van het fundamenteel onderzoek aan de universiteiten. Zo, dan weet u alvast hoe ik er over denk, voordat ik met de onderbouwing van die stelling begin. Opnieuw eerst maar een stukje geschiedenis om de toon te zetten. Ik wil me richten op de situatie in Japan, dat altijd veel in wetenschappelijk onderzoek geïnvesteerd heeft, maar waar men zich in de tweede heft van de jaren negentig ernstig zorgen begon te maken over de te geringe impact van die investeringen. De onvermijdelijke commissie werd geïnstalleerd en die kwam met twee conclusies. De eerste kunnen we hier ook wel bedenken, namelijk dat de te geringe beheersing van het Engels door Japanse wetenschappers een groot probleem vormde. De tweede conclusie luidde, en dat is interessanter voor de discussie van vandaag, dat de te grote verwevenheid tussen industrieel en fundamenteel universitair onderzoek de tijdshorizon van universitaire onderzoekers onaanvaardbaar kort had gemaakt. Ook aan universiteiten had het idee postgevat dat als onderzoek niet op een termijn van twee of drie jaar iets opleverde, het de moeite van het doen niet waard was. Een misvatting van immense proporties, zo bleek. De remedie die men voorstelde was om Engelsprekende fundamentele wetenschappers voor langere perioden naar Japan te halen om te helpen een cultuuromslag te bewerkstellingen en de kostbare fouten uit het verleden die Japan internationaal op grote achterstand hebben gezet te herstellen. Daar heb ik in 2001 aan mogen bijdragen. Het is evident dat dit nieuwe beleid er sterk toe heeft bijgedragen dat de positie van het Japanse fundamentele onderzoek sindsdien drastisch is versterkt. Gaan we nu in Nederland de fouten uit het recente Japanse verleden herhalen? Ik vrees van wel.
Wat is het geval? Als onderdeel van de universitaire natuurwetenschappen is de Nederlandse fundamentele natuurkunde van grote internationale allure. Alle objectieve indicatoren die men maar op de Nederlandse natuurkunde kan loslaten wijzen daarop. Niettemin komt onze natuurkunde niet expliciet bij de topsectoren – het woord alleen al – voor. Natuurkunde is geen eenvoudige studie, en de instroom van capabele studenten en promovendi is voor verbetering vatbaar. Het helpt dan niet dat we enerzijds over ‘top’ spreken en anderzijds diezelfde natuurkunde niet eens noemen. Ik heb dit probleem, want dat is het, aangekaart bij diverse toonaangevende fysici. Hoewel men mijn observaties deelt, is men bezorgd dit al te luid te ventileren. Er is namelijk grote angst dat dit de bekostiging van de Nederlandse natuurkunde verder onder druk zal zetten. Ik word daar niet vrolijk van.
Waarom trouwens zoveel focus op fundamenteel onderzoek? Wat is daar zo belangrijk aan? Welbeschouwd is fundamenteel onderzoek de echte motor van vooruitgang, de werkelijke bron van innovatie. In tegenstelling tot wat regeringen vaak denken of in elk geval wenselijk vinden, laat fundamenteel onderzoek zich buitengewoon slecht plannen. Fundamentele doorbraken zijn vrijwel altijd het product van individuele eigenwijze denkers, en komen zelden of eigenlijk nooit tot stand op het planningbord van researchdirecteuren. Die waarheid is voor beleidsmakers weliswaar moeilijk te accepteren, maar blijft desondanks fier overeind. Ook is het belang van fundamenteel onderzoek dat later enorme maatschappelijke impact blijkt te hebben (ik noem magnetische resonantie en magnetische resonantie imaging) zelfs aan de bedenkers en latere Nobelprijswinnaars van te voren meestal niet zo duidelijk. Met het oog op de tijd zal ik de verleiding weerstaan diverse anekdotes op dit gebied de revue te laten passeren.
Ook het lijstjesfetisjisme dat overheden zo graag hanteren om de vermeende kwaliteit van hun beleid te illustreren, heeft bijzonder weinig basis. Het feit dat de Universiteit van Utrecht redelijk scoort in dergelijke lijstjes heeft alles te maken met de Nobelprijs die de fysici Tini Veltman en Gerard ’t Hooft in 1999 verdienden voor ‘het ophelderen van de kwantumstructuur van elektrozwakke interacties in de natuurkunde’. Deze fenomenale prestatie is overigens niet tot stand gekomen binnen een universitaire bonuscultuur, maar vanuit een heel wat gezondere motivatie die gelukkig de meeste fundamentele universitaire onderzoekers kenmerkt. Evenmin zijn de baanbrekende resultaten van hun onderzoek op welke manier dan ook vercommercialiseerd terug te vinden binnen de topsectoren.
Een onderwerp dat in de beschouwingen vandaag niet mag ontbreken is Europa dat, middels de diverse ‘Framework Programmes’ een toenemend belangrijke rol bij de financiering van ons eigen wetenschappelijk onderzoek speelt. Die programma’s zijn in veel opzichten succesvol geweest en hebben in elk geval geleid tot vormen van samenwerking binnen Europa die voorheen niet bestonden. Dat is winst. Het huidige programma dat loopt van 1 januari 2014 tot 2020 en waarvoor totaal 80 miljard euro is uitgetrokken, heet Horizon 2020. Opvallend bij de EU programma’s is dat de nadruk steeds meer komt te liggen op economische overwegingen, en het is dan ook geen toeval dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Horizon 2020 uitvoert in opdracht van de Nederlandse overheid. Het ministerie van Economische Zaken is hoofdopdrachtgever. We moeten dus ernstig vrezen voor een groeiend topsectorenbeleid op Europese schaal, uiteraard met alle nadelen van dien.
Een woord van waarschuwing. Ik heb binnen de EU context deelgenomen aan veel panels ter beoordeling van natuurwetenschappelijk onderzoek. De tendens over de jaren is geweest om bij de toekenning van projecten steeds meer gewicht toe te kennen aan niet-wetenschappelijke overwegingen, om van de toegenomen bureaucratische regelzucht en hoge overheadkosten maar niet te spreken. Wat steeds weer opviel was de samenstelling van die panels, met extreme oververtegenwoordiging vanuit landen waar het niveau van wetenschapsbeoefening ronduit zwak was, en sterke ondervertegenwoordiging vanuit de sterke landen uit noordwest Europa. Regelmatig was ik de enige Nederlander in dergelijke Europese panels. Dat zou allemaal tot nadenken moeten stemmen, zeker ook bij de Nederlandse natuurwetenschappers die hun tijd kennelijk liever aan andere zaken besteden. Hier geldt nadrukkelijk: Nederland, let op uw saeck.
Tenslotte wil ik ingaan op het recente rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) getiteld ‘Naar een lerende economie’. De kwaliteit van dit rapport staat in schril contrast tot het eerder door mij genoemde AWT rapport. Des te curieuzer is de reactie van de regering op de WRR visie die buitengewoon defensief en ronduit een beetje miezerig is. Omdat Nederland helaas niet steeds op weg lijkt naar een lerende economie, maar integendeel diverse tekorten vertoont van een hardleerse economie, zou een iets ruimhartiger en wat minder zelfgenoegzame respons op dit uitstekende rapport op zijn plaats zijn geweest. We hebben het al gedaan, we doen het al, we gaan het doen, of we vinden het niet nodig is nou niet de ideale vorm van zelfreflectie die dit doordachte en evenwichtige rapport zou moeten oproepen. Met name de serieuze en goed onderbouwde WRR kritiek op het topsectorenbeleid snijdt naar mijn mening hout, zeker als we beseffen dat dit beleid vooral bestaande grote bedrijven subsidieert die dat helemaal niet nodig hebben. Nog principiëler rijst de vraag of een sectorale aanpak überhaupt de beste kansen voor de toekomst biedt. De fundamentele wetenschap, toch de kip die de gouden eieren legt al zien we dikwijls pas veel later dat de eieren inderdaad van goud zijn, betaalt opnieuw het gelag. Opnieuw zijn we als samenleving hardleers, en zien we toe hoe de geschiedenis bezig is zich te herhalen. Op deze manier blijft vooruitgang een moeizaam proces.
Hiermee ben ik vrijwel aan het einde van mijn eerste termijn gekomen. Uiteraard kan een beleidsdebat nooit meer zijn dan een oppervlakkige gedachtewisseling, zeker als het een zo breed en vaak abstract terrein als innovatie betreft. Zelfgenoegzaamheid is hierbij de bijl aan de wortel van elk innovatieproces. Werkelijke innovatie kan alleen bestaan bij de gratie van fundamentele kritiek op en twijfel aan de gekozen uitgangspunten. Precies dat is wat een terugblik in de geschiedenis van diverse landen, waaronder ons eigen land, ons in elk geval zou moeten leren. Het is dan ook curieus om te zien hoe de regering geen gelegenheid onbenut laat om de burger aan te praten dat zijn zekerheden schijn zijn, terwijl zij over het eigen beleid geen enkele twijfel uit, en daarbij retoriek zonder rationele basis niet schuwt. Juist die tegenstelling maakt de aanbevelingen van het WRR rapport zo de moeite waard. Ik wil besluiten met een boodschap die, hoewel vanzelfsprekend voor elke natuurwetenschapper, toch voor de meeste regeringen, en zeker ook de onze, het overwegen waard lijkt te zijn: koester de geluiden en meningen van dwarse denkers.
Ik zie uit naar een uitgebreide reactie van de minister en de staatssecretaris.
Den Haag, 18 maart 2014