Debat Wijziging Pensioenwet en Wet pensioenaanvullingsregelingen

33610 Wijziging Pensioenwet etc.
33672 Wet pensioenaanvullingsregelingen
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Het is me een genoegen deze bijdrage ook uit te mogen spreken namens de Partij voor de Dieren.

Laat me beginnen met mijn hart te luchten. In de media heeft staatssecretaris Weekers geventileerd dat de Eerste Kamer niet genoeg haast zou maken met de nu voorliggende wetsvoorstellen. De werkelijkheid is dat de leden van de vaste Commissie Financiën gedurende hun zomerreces uitgebreid vragen over beide voorstellen geformuleerd hebben. Daarna was de Memorie van Antwoord voor diverse fracties van een dusdanig niveau dat er alle aanleiding voor meer vragen was. Het was diezelfde staatssecretaris die vervolgens meedeelde voor de beantwoording meer tijd nodig te hebben. Samenvattend hebben onze fracties dan ook weinig waardering voor zijn mediaoptreden dat ik als stemmingmakerij zou willen kwalificeren. De Eerste Kamer doet gewoon zijn werk en daarmee basta.

Dan nu naar de inhoud. Beide wetsvoorstellen zijn door de Raad van State van een advies voorzien dat opvalt door een ongebruikelijk kritische toon en inhoud. Ook door diverse maatschappelijke en beroepsorganisaties is uitermate kritisch en afwijzend gereageerd op de wetsvoorstellen en de daarbij geleverde onderbouwing. De vaste Commissie Financiën van de Eerste Kamer heeft in twee ronden vragen gesteld, en daar ook antwoorden op ontvangen. Voor die antwoorden zijn onze fracties de staatssecretaris uiteraard erkentelijk, hoewel we over de inhoudelijke kant heel wat minder gelukkig zijn. Ik kom daar puntsgewijs op terug. Natuurlijk kan ik aan het eind van ieder blokje de staatssecretaris expliciet vragen op dat punt in te gaan. Ik zal dat proberen, maar het lijkt me efficiënter om hem reeds hier en nu te verzoeken om op al mijn punten in te gaan. Om het hem makkelijk te maken heb ik de punten daarom genummerd.

  1. Een groot bezwaar tegen de huidige wetsvoorstellen is dat zij gepresenteerd worden zonder dat hun samenhang voorop staat. Bovendien wordt een voorschot genomen op een nieuwe pensioenwet waarvan de inhoud nog niet bekend is. Deze manier van doen stelt de Eerste Kamer nauwelijks in staat de pensioenproblematiek in zijn geheel te overzien. Naar de mening van onze fracties is dit een miskenning van de rol van de Eerste Kamer in het wetgevingsproces. Het zou de kwaliteit van onze beoordeling ten goede komen als we konden praten over de hele worst, liever dan over afzonderlijke plakjes. Deelt de staatssecretaris deze mening, en zo nee waarom niet?
  2. De pensioenregelingen in diverse landen van de eurozone vertonen enorme verschillen. Hetzelfde geldt voor de pensioenleeftijden. De regering kiest nog steeds voor het handhaven van en deelnemen aan de euro onder het motto ‘one size fits all’. Voor het gemak wordt daarbij de voortdurend groeiende lijst van bewijzen voor het tegendeel ontkend of gebagatelliseerd. Deze politieke keuze heeft tot onmiddellijk gevolg dat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente kunstmatig laag houdt op een wijze die zich niet verdraagt met het feitelijke mandaat van de ECB. De gevolgen voor de deelnemers in de Nederlandse pensioenfondsen zijn enorm en uiteraard zeer negatief. Al sinds 2004 wordt aan de meeste verplichte deelnemers in de pensioenfondsen indexatie onvolledig of helemaal niet uitbetaald. Ook voortdurende en soms aanzienlijke kortingen op de nominale pensioenen zijn tot de praktijk van vandaag gaan behoren. Niettemin verstrekt Nederland miljardengaranties aan landen die een pensioensysteem hebben dat een pensioenleeftijd handhaaft die soms veel lager is dan die in ons land. Niettemin levert de Nederlandse belastingbetaler de garanties die nodig zijn om met name in de zuid Europese landen pensioenen uit te betalen waarvoor enige fatsoenlijke vorm van dekking ontbreekt. Ziet de staatssecretaris in deze feitelijke situatie niet een spanningsveld dat maar moeilijk aan de Nederlandse deelnemers in verplichte pensioenfondsen is uit te leggen?
  3. Met deze wetsvoorstellen beoogt de regering vooral om tot verlaging van pensioenpremies te komen, met als doel de economie via meer consumptie te stimuleren. Uiteraard gaat de regering niet over het vaststellen van pensioenpremies, omdat bij wet geregeld is dat dit de competentie van de sociale partners is. Nu treedt de overheid op pensioengebied tegelijk op als wetgever en als werkgever. Onze fracties vinden het in dat verband curieus dat het ABP een dag vóór Prinsjesdag naar buiten komt met het bericht dat de ABP premie zeer aanzienlijk verlaagd gaat worden. De wetten die dit eventueel mogelijk moeten maken, worden vandaag in deze Kamer besproken. Onze fracties zijn van mening dat timing en inhoud van deze bekendmaking het gevolg zijn van een volstrekt ongewenste en genante vermenging van de beide overheidsrollen van werkgever en wetgever. Deelt de staatssecretaris deze mening, en zo nee waarom niet? Is de staatssecretaris van mening dat de timing van de ABP maatregel op toeval berust, of dat er wellicht andere overwegingen meegespeeld hebben?
  4. Door het niet of onvolledig uitbetalen van indexatie en door soms aanzienlijke kortingen op de nominale pensioenen is de koopkracht van de aanvullende pensioenen voor zeer veel deelnemers in de pensioenfondsen aanzienlijk geslonken. Gepensioneerden merken dat onmiddellijk in hun portemonnee en werkenden zien hun toekomstige pensioenaanspraken verdampen. In de afgelopen vijf jaar bedraagt het teruglopen van de koopkracht vaak meer dan 10%. Veel pensioenfondsen hebben als missie en ambitie om naar vermogen geïndexeerde pensioenen uit te betalen, en dat verdraagt zich naar de mening van onze fracties onder de huidige omstandigheden wel erg slecht met premieverlaging. Het ligt ook niet in de rede dat de financiële situatie van de pensioenfondsen in de komende jaren zodanig wordt dat er wèl geïndexeerd kan worden. Bij een normale inflatie van zo’n 2% per jaar, zullen gepensioneerden gedurende de periode dat ze van hun pensioen ‘genieten’ (er is alle aanleiding dat ‘genieten’ tussen aanhalingstekens te plaatsen) bij hun aanvullende pensioen ongeveer een derde van hun koopkracht verliezen. Vindt de staatssecretaris dit een probleem, en zo nee waarom niet?
  5. Door beroepsorganisaties op pensioengebied is becijferd dat de miljardenbesparing die de overheid met de huidige wetsvoorstellen beoogt veel te optimistisch is, en dan praten we ongeveer over een factor 2, is ingeschat. Kan de staatssecretaris precies aangeven welke besparingen hij voor de komende jaren 2014, 2015 en 2016 inboekt, en welke aannamen aan deze inschatting ten grondslag liggen? Graag ontvangen onze fracties op dit punt zorgvuldige antwoorden. In de optiek van de regering zijn deze wetsvoorstellen immers voornamelijk ingegeven door de vermeende noodzaak om ongeveer drie miljard op dit dossier te bezuinigen. Een gedetailleerder financiële onderbouwing van de voorstellen is daarom cruciaal.
  6. Verlaging van het Witteveen kader heeft tot onmiddellijk gevolg dat toekomstige inkomsten van de overheid zullen afnemen. Door de omkeerregel geldt dat ongeveer 40% van de middelen in de pensioenfondsen op termijn als belasting richting overheid stromen. Door het kader te verlagen worden deze toekomstige inkomsten verminderd. Door de belastingheffing te spreiden over een langere periode krijgt de overheid pas later de beschikking over de haar toekomende belastinginkomsten, hetgeen effectief ook op een inkomstenderving neerkomt. Is de staatssecretaris met onze fracties van mening dat dit toch een vorm van potverteren is en zo nee waarom niet?
  7. Onlangs is door het toonaangevende bureau Mercer onderbouwd betoogd dat de aannamen van de staatssecretaris te optimistisch waren. Voor de werkenden van nu, die de gevolgen van deze wetsvoorstellen (indien aangenomen) aan den lijve zullen ondervinden, heeft Mercer op basis van meer realistische aannamen becijferd dat in de werkelijke wereld de pensioenopbouw veel ongunstiger zal uitpakken dan de staatsecretaris suggereert. Hierover zijn vragen gesteld en ook antwoorden ontvangen. In die antwoorden gaat de staatsecretaris zeer uitgebreid in op wat mogelijk is. Wellicht zou het van meer realiteitszin getuigen om uit te gaan van wat hoogst waarschijnlijk is. Ook onder omstandigheden van nu is het aantal mensen dat een pensioen van 70% van het laatstverdiende loon ontvangt zeer gering. En dat zal op basis van de voorgestelde wetgeving zeker niet beter worden. Met een sterk oplopende werkloosheid en met een economische situatie die nog jarenlang zeer moeizaam zal blijven, kan in redelijkheid niet verwacht worden dat in de werkelijke wereld nog een pensioen gebaseerd op 70% van het laatstverdiende loon, ondanks alle prachtige regelingen en mogelijkheden die de staatssecretaris in zijn antwoord vermeldt, binnen bereik is. Zou het de regering niet sieren uit te gaan van de werkelijkheid van vandaag, liever dan als wetgever een schijnwereld te creëren waarin het goed leven zou zijn als die wereld ook inderdaad bestond?
  8. De regering is voornemens om de pensioenopbouw af te toppen bij een jaarinkomen van 100 000 euro. We hebben dus opnieuw te maken met een voorgestelde inkomensafhankelijke regeling. In dit specifieke geval is de Raad van State van mening dat de uitvoeringskosten hoog en de opbrengsten relatief gering zullen zijn. Bovendien willen onze fracties het principe van het toenemend aantal inkomensafhankelijke regelingen aan de orde stellen. Een groot bezwaar is dat er cumulatieve effecten kunnen optreden die soms groot, en soms klein kunnen zijn. Dit kan gemakkelijk leiden tot ongewenste, ongelijke, en onredelijke effecten die vervolgens weer gerepareerd moeten worden. Onze fracties zijn groot tegenstander van allerhande inkomensafhankelijke regelingen als middel om inkomenspolitiek te voeren. Een evenwichtige inkomenspolitiek kan slechts tot stand komen op basis van alle inkomensgegevens zoals die bij de belastingdienst verzameld worden. Alleen daar bestaat een volledig overzicht van alle componenten die een individueel inkomen vormen. Alleen daar heeft de overheid inzicht in hoe voorgestelde belastingmaatregelen uitwerken. Is de staatsecretaris met onze fracties van mening dat de regering zeer terughoudend moet zijn met het invoeren van allerhande inkomensafhankelijke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
  9. De door de regering verwachte opbrengst voor de schatkist van de voorgestelde wetgeving ten bedrage van ongeveer 3 miljard per jaar is zeer veel kleiner dan het aanpakken van de hypotheekrenteaftrek waar op jaarbasis een bedrag van zo’n 13 miljard mee gemoeid is. Bovendien zijn de aanvankelijke bedoelingen van het systeem van hypotheekrenteaftrek, het voor starters mogelijk maken een huis te kopen, verworden tot een systeem dat vooral de hogere inkomens subsidieert. Zou de rationaliteit niet gebieden dat het sterk beperken van de hypotheekrenteaftrek verre te verkiezen is boven het inperken van het Witteveen kader? Speelt dat argument niet des te meer als we ons bewust zijn van de grote problemen en bezwaren die de thans voorgestelde wetgeving met zich meebrengt? Graag hoor ik de reactie van de staatssecretaris.

Laat me tot een afronding komen. Naar de mening van onze fracties wordt de voorgestelde wetgeving gekenmerkt door een lange rij van principiële, maar ook praktische problemen. Ook door maatschappelijke en beroepsorganisaties zijn de problemen breed uitgemeten. De Memorie van Antwoord en de nadere Memorie van Antwoord hebben onze fracties bepaald niet overtuigd van de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van de wetgeving. Vandaag heeft de staatssecretaris voor de laatste maal een gelegenheid onze fracties te overtuigen. Ik wacht zijn reactie op alle in mijn bijdrage vermelde punten dan ook af.

Den Haag, 8 oktober 2013