Debat Wet verhuurderheffing

33819 Wet verhuurderheffing
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Ik spreek deze bijdrage uit mede namens de Partij voor de Dieren.

Vandaag spreken we opnieuw over een wetsvoorstel dat weer eens in grote haast moet worden afgewikkeld. Zo bereikte de Memorie van Antwoord ons pas op vrijdag 13 december om 16.44 uur. Dat valt de ambtenaren op het Ministerie van Wonen en Rijksdienst niet te verwijten, maar wel de regering die er bij voortduring niet in slaagt de wetgeving die zij nodig oordeelt tijdig van voldoende steun te voorzien. Dit proces van frustratie en stagnatie is helaas kenmerkend voor het huidige regeringsbeleid. Met name voor kleine fracties komt door deze verwerpelijke manier van doen de vereiste zorgvuldigheid, die toch het bestaansrecht van de Eerste Kamer uitmaakt, onder grote druk te staan. Ook een last-minute consultatie van deskundigen wordt hierdoor vrijwel onmogelijk gemaakt. De houding van onze fracties is in dit soort gevallen noodgedwongen eenvoudig: bij twijfel stemmen wij tegen.

Aan gerede twijfels ontbreekt het overigens niet bij het voorliggende voorstel. Die twijfels zijn merkwaardig genoeg niet gelegen in wat naar de mening van de regering de belangrijkste doelstelling van deze wet is. Dat is namelijk de bezuinigingsdoelstelling die onder Rehnse druk heilig is verklaard. Daar laat de regering cynisch genoeg geen twijfel over bestaan. De geleverde onderbouwing kan in dit licht dan ook vooral gezien worden als gelegenheidsargumentatie. Helaas verdient de woonproblematiek en de burger voor wie wonen een levensvoorwaarde is beter.

Nederland wordt gekenmerkt door een politiek van frustratie en stagnatie. De zoektocht naar steeds weer nieuwe gedoogpartners leidt tot een lange reeks onduidelijke akkoorden – wij zijn inmiddels de tel kwijtgeraakt – , en het resulterende tijdverlies wordt verhaald op de tijd die de Eerste Kamer gegund wordt voor een adequate behandeling. Zoals nu bij vrijwel ieder voorstel het geval is, kent ook dit dossier zijn eigen gedogers. Dit keer noemen zij zichzelf de ‘constructieve oppositie’. Het zal allemaal wel, maar frustratie en stagnatie blijven de sleutelwoorden.

Deze wet beoogt van alles te regelen, maar het belangrijkste punt, een adequate beperking van de hypotheekrenteaftrek voor bestaande gevallen is opvallend afwezig. Waar een regeling die oorspronkelijk beoogde starters op de woningmarkt een steuntje in de rug te geven, in veel gevallen is verworden tot een grootschalige subsidie voor toch al goedbedeelde mensen, is onze fracties allang een doorn in het oog. De nu voorgestelde maatregelen zijn ‘too little too late’, en strekken zich bovendien uit over een periode van 28 jaar die lachwekkend lang is. Het tussentijdse afbraakrisico, om maar in bouwtermen te blijven, lijkt onze fracties aanzienlijk. Zo wordt de nodige duidelijkheid op de woningmarkt wel bepleit, maar vervolgens als schijnzekerheid verpakt en dus niet gegeven. De logische stap om een maximum te stellen aan de hypotheekrente die überhaupt afgetrokken mag worden, wordt niet genomen. Terwijl vanuit een oogpunt van bezuinigingen precies daar zonder grote schade aan de samenleving vele miljarden gevonden kunnen worden. Dit kabinet en zijn gedoogpartijen doen andere keuzes, waarvan akte.

Zoals we weten of horen te weten, heeft economie weinig van de positieve elementen en de betrouwbaarheid van ‘rocket science’. Niettemin lanceert dit kabinet middels een aantal wetsvoorstellen een meertrapsraket waarvan alleen het einddoel vaststaat: 1.7 miljard euro voor de staatskas. Daartoe moeten de huren verhoogd, en de verhuurders afgeroomd. Deze processen zijn omgeven met allerlei mitsen en maren, waardoor de effectiviteit en opbrengst van de afzonderlijke stappen zich grotendeels aan de controle van de regering onttrekken. Hoe zeker kun je dan nog zijn van de uiteindelijke opbrengst? Het lijkt onze fracties meet- en regeltechniek van de koude grond. Laat me een paar van de problemen noemen waarop de regering nauwelijks invloed heeft, maar die wel cruciaal zijn voor het bereiken van het gehoopte eindresultaat. Door de WOZ waarden als basis te nemen, krijgen ook huurders een groot belang bij de vaststelling daarvan. Dat zal de toch al bestaande druk op dit punt aanzienlijk verhogen. Woningcorporaties zullen in een nog onbekend aantal gevallen gedwongen worden woningen uit het sociale segment te verkopen. De huurverhogingen moeten dan opgebracht worden door minder huurders, die dat niet zonder slag of stoot zullen accepteren. Het vermogen van woningcorporaties om te investeren in nieuwbouw en onderhoud zal naar de mening van vele deskundigen drastisch aangetast worden. Dat zal hun financiële positie en dus de ruimte voor afroming door de staat wel een drastisch kunnen inperken. Of we de kabinetsvoornemens dus moeten karakteriseren als luchtkastelen, of als gebouwd op drijfzand, die keus laten wij aan anderen over. Van de minister horen wij graag hoe hard hij meent te kunnen rekenen op de ingeboekte opbrengst van deze financiële kermiscarrousel ten bedrage van 1,7 miljard euro.

Een ander punt van aanstoot zijns de onevenwichtigheden in de voorgestelde wet. Huurders worden benadeeld ten opzichte van kopers, en sommige huurders worden weer benadeeld ten koste van andere huurders. Van eigendomsneutraliteit is nauwelijks sprake, in de woorden van emeritus hoogleraar Priemus, toch niet de minste als het over de woningmarktproblematiek gaat. De voorbeelden zijn in de schriftelijke voorbereiding uitgebreid en overtuigend aan de orde gekomen. Voorts worden particuliere verhuurders vrijgesteld van de verhuurderheffing als zij minder dan 10 eenheden verhuren. Niet alleen lijkt het getal 10 volkomen arbitrair gekozen, bovendien lijkt deze regel de deur open te zetten voor allerlei vormen van creatief gesjoemel. Ook verschillende woningcorporaties worden ongelijk behandeld. Zo wordt aan sommige corporaties een heffingsvermindering geschonken ten einde in vooraf aangewezen krimpgebieden te kunnen investeren. Andere corporaties, vaak in zeer vergelijkbare krimpgebieden met vergelijkbare noodzaak om te investeren, krijgen die heffingskorting niet, en betalen in feite mee aan de korting aan anderen. Dubbel gepakt dus. Onze fracties zijn overigens bepaald geen tegenstander van een overheidsbeleid dat ernstig rekening houdt met de problemen van de vele krimpgebieden die Nederland kent. Gezien de ernst van die problematiek dienen dan wel alle elementen geanalyseerd te worden om tot een integrale aanpak te komen. Een beleid dat zich slechts richt op een klein deel van de problematiek in een beperkt aantal geselecteerde gebieden, vooral in de Randstad, is daarbij weinig behulpzaam. Ook het onderscheid tussen een investeringsaftrek van 10000 of 15000 euro is van een fraudegevoeligheid die geen kritisch denkende parlementariër voor zijn rekening zou willen nemen.

Laat me tot een afronding komen van de eerste termijn. Goede wetgeving dient evenwichtig te zijn, en wordt geacht mensen en organisaties onder gelijke omstandigheden gelijkelijk te behandelen. Wetgeving dient gebaseerd te zijn op een bij voorkeur breed gedragen visie, in dit geval over het woonbeleid in brede zin. Wetgeving dient realistisch en uitvoerbaar te zijn, met duidelijke doelen die men wil bereiken, waarbij regelmatig op de voortgang van het proces getoetst kan worden. Het voorliggende wetsvoorstel voldoet naar de mening van onze fracties niet of in elk geval volstrekt onvoldoende aan deze ten principale te stellen eisen.

Dit kabinet stelt dat dit wetsvoorstel het ‘sluitstuk’ is van een reeks van wetgevende maatregelen die voor lange tijd de rust op de woningmarkt zullen doen terugkeren. Elke Nederlander die onder zeeniveau woont, is ervaringsdeskundige als het gaat over de kwaliteit en effectiviteit van sluitstukken. Of de verwachting van de regering bewaarheid wordt, dat niet nog meer huizen onder water komen te staan dan nu al het geval is, zal de tijd leren. Onze fracties zijn sceptisch en gaan er dan ook vooralsnog van uit dat de kans op onze steun voor het voorstel gering is. Niettemin wachten wij de reactie van de minister met belangstelling af.

Den Haag, 17 december 2013