Mevrouw de voorzitter,
Een begrotingsdebat in de Eerste Kamer vormt een klein dilemma. Aan de ene kant is een begroting de financiële neerslag van toekomstige plannen waar je wellicht grote bezwaren tegen hebt. Aan de andere kant is het verwerpen van een begroting een nogal vergaande stap die meer een neiging tot getuigenispolitiek dan van pragmatisme verraadt. Dit geldt des te meer omdat van te voren meerderheden tot stand zijn gebracht in achterkamertjesoverleg met partijen die zich graag de ‘constructieve oppositie’ noemen. De nieuwe gedogers dus. Mijn fractie kiest ervoor zeer terughoudend te zijn bij het verwerpen van begrotingen, maar een des te kritischer houding aan te nemen bij de behandeling van alle afzonderlijke wetsvoorstellen. Dat met name is ook de belangrijkste taak van de Eerste Kamer.
Het beleid van dit kabinet heeft het principe van decentralisatie hoog in het vaandel. Niettemin kan men zich afvragen of dit het gevolg is van een diep doordachte visie, of eerder ingegeven wordt door de contraproductieve bezuinigingsdrift die ons, mede door eigen toedoen, opgelegd wordt door de Brusselse begrotingspaus Olli Rehn. De arbitraire 3% norm is heilig verklaard en dat zullen we weten ook.
Mijn factie staat van nature positief ten opzichte van decentralisatie, als tenminste het doel is om de burger meer bij het beleid te betrekken, en als er naar gestreefd wordt bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het laagst mogelijke bestuurlijke niveau te leggen. Echter, zonder nadere invulling is dit een nogal gratuite stellingname die niet noodzakelijkerwijs leidt tot verbetering. Er is veel meer nodig, en wat dan wel?
Om bevoegdheden op een lager bestuurlijk niveau te leggen en daar als samenleving voordeel van te hebben is om te beginnen nodig dat een grote zorgvuldigheid in acht genomen wordt. Het decentrale niveau, in veel gevallen de gemeente waarvan er meer dan 400 zijn, dient allereerst de beschikking te krijgen over adequate financiële middelen om de toegeschoven taken uit te voeren. Daarnaast dient tijd genomen te worden om op het decentrale niveau al die kennis en ervaring op te bouwen die nodig zijn om de toekomstige taken uit te voeren op een niveau dat de burger verdient. Dat bij grote reorganisaties ernstig rekening gehouden moet worden met aanzienlijke overgangskosten, zou voor iemand die iets van organisatietheorie weet geen geheim moeten zijn. Niettemin laadt deze regering door eigen handelen voortdurend het verwijt op zich dat de heilig verklaarde en op zichzelf dubieuze bezuinigingsdoelstellingen hun zicht op de werkelijkheid volledig verduisteren.
De minister van Binnenlandse Zaken speelt in dit geheel een merkwaardige rol. Als een postmoderne zendeling trekt hij door het land om provinciale schaalvergroting te bepleiten die bij provincies, gemeenten, en nog veel erger de burger zelf, op bijzonder weinig begrip kan rekenen. Als men alle reacties inventariseert en op zich in laat werken, zou het de minister sieren als hij de heilloze voorstellen waaraan al veel te veel tijd, geld en energie is besteedt, definitief van de agenda zou afvoeren. Mag ik de minister vragen of dit inderdaad zijn voornemen is, en zo nee waarom niet?
Laat me tot een afronding komen. Mijn fractie ziet zeker op diverse dossiers de voordelen die samen zouden kunnen gaan met het principe van decentralisatie. Echter, indien voornemens zonder visie gedropt worden, als de onderbouwing en de realiteitszin ontbreken, als de middelen niet beschikbaar komen, en haast om bezuinigingen in te boeken de voornaamste drijfveer en leidraad is, onder dergelijke omstandigheden kunnen goede ideeën verkeren in hun tegendeel. Over dat enorme dilemma hoor ik graag de reactie van de minister.
Den Haag, 10 december 2013