Wet hervorming kindregelingen

33716
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van een reeks voorstellen van dit kabinet omtrent ons stelsel van sociale zekerheid die veel gemeen hebben. Deze voorstellen worden namelijk aangeprezen als hoognodige doorbraken in de sociale structuur van Nederland. Echter, zelfs bij oppervlakkige, en zeker bij wat nadere beschouwing betreft het vooral nogal botte bezuinigingsmaatregelen. De mantra dat er zo nodig en zo diep gesneden moet worden in het Nederlandse uitgavenpatroon wordt overigens door niemand minder dan de Nobelprijswinnaar Economie in 2008, Paul Krugman, van snijdend en ook houtsnijdend commentaar voorzien. Wat opvalt zijn de merkwaardige keuzes die dit kabinet iedere keer opnieuw maakt, zelfs als je even aanneemt dat bezuinigingen in de gekozen omvang onontkoombaar zouden zijn. Of liever, het is curieus om te zien welke terreinen juist systematisch gespaard blijven voor de botte snoeischaar van de huidige coalitie.

Ik wil beginnen om het voorliggende wetsvoorstel in een iets breder maatschappelijk perspectief te plaatsen. Steeds meer moeten we helaas constateren dat dit een kabinet voor de beter gesitueerden is. Het ter discussie stellen van de hypotheekrenteaftrek voor bestaande gevallen is een taboe dat door neoliberalen en voormalige socialisten –misschien moeten we van neosocialisten spreken- hardnekkig vermeden wordt. Dat is merkwaardig, want het merendeel van de miljardensubsidies uit de algemene middelen gaat allang niet meer naar de mensen voor wie de regeling oorspronkelijk bedoeld was, te weten de starters op de arbeidsmarkt. Een veel te groot deel van deze belastingaftrek gaat naar relatief welgestelde mensen die een dergelijke financiële begunstiging helemaal niet nodig hebben, maar die wel een krachtige politieke lobby achter zich hebben. Bovendien zijn de bedragen die met het handhaven van de hypotheekrenteaftrek voor bestaande gevallen onnodig weggesmeten worden een veelvoud van wat bespaard kan worden op het korten op bijvoorbeeld de kindregelingen waar we vandaag over spreken.

Een andere aanwijzing dat we een kabinet hebben met veel oog voor de belangen van hen die financieel-economisch gemakkelijk hun eigen broek kunnen ophouden, is het voornemen om zo’n 500 miljoen te gaan bijdragen aan de inkomenspositie van de middelbare en hogere inkomens. Zijn zij de groepen die het meest onder de crisis geleden hebben? Zijn zij de groepen die prioritaire steun verdienen boven andere groepen nu de minister van Financiën beweert, en misschien zelfs ook wel zelf gelooft, dat de crisis voorbij is? Zijn dat de groepen die na jaren bezuinigingsbeleid waarbij juist de onderkant van de samenleving de zwaarste klappen heeft opgevangen, die nu extra aandacht van dit kabinet verdienen? Vragen, die gesteld moeten worden. Vragen bovendien die opnieuw nadrukkelijk aandacht verdienen als we kijken naar de achtergronden van het nu voorliggende wetsvoorstel.

Dit voorstel beoogt het aantal kindregelingen terug te brengen van 11 naar 4, en heeft daarnaast, of liever daarboven, ‘versobering’ als bijzonder nadrukkelijk en overwegend doel. Het is interessant na te gaan welke groepen burgers door deze versoberingen getroffen wordt. Het woord ‘versobering’ is overigens weer één van de vele zo langzamerhand storende eufemismen waarbij de vlag de lading niet dekt. Het suggereert namelijk een geleidelijke afname van een bekostiging, terwijl in werkelijkheid deze bekostiging vaak volledig wordt afgeschaft. Niks versobering, het gaat dan simpelweg om het hanteren van het snoeimes. Noem het kind dan ook bij de naam, om in de sfeer van dit wetsvoorstel te blijven.

Terug naar het feitelijke voorstel. Aan de positieve kant dient erkend te worden dat het inderdaad om een vereenvoudiging gaat. Nu was 11 kindregelingen ook wel erg veel, dus dat daar wat stroomlijning wordt doorgevoerd valt toe te juichen. Maar of het voorstel waar we vandaag over spreken nu zo’n voorbeeld van eenvoud is geworden, daar kan met recht en reden aan getwijfeld worden. Daarnaast bestaat ook in de huidige vorm het gevaar van cumulatie waardoor van te voren onvoldoende duidelijk is wat het totale pakket aan voorstellen in individuele gevallen kan betekenen. Dit gevaar is des te groter als het gaat om inkomensafhankelijke regelingen. Een cumulatie van inkomensafhankelijke regelingen maakt dat men door de bomen het bos niet meer ziet, en is naar de mening van mijn fractie onwenselijk. Het verdient de voorkeur om alle relevante gegevens bij de belastingdienst te verzamelen om vervolgens daar een definitieve heffing op te leggen of een uitkering te verschaffen.

Het wetsvoorstel kent ontegenzeggelijk een aantal voordelen, hoewel naar de mening van mijn fractie vooral de nadelen overwegen. Niettemin dienen voor een evenwichtige beoordeling ook de voordelen onder ogen gezien te worden. Het stelsel van kindregelingen wordt inderdaad enigszins vereenvoudigd. Ook het feit dat werken in principe meer gaat lonen dan nu het geval is, is positief. De lijst van nadelen is helaas heel wat langer. De regering beoogt de inkomensondersteuning meer te richten op lagere inkomens. Dat klinkt als een sympathiek voornemen, maar de werkelijkheid ligt genuanceerder. Alle ouders met kinderen gaan er op achteruit, ook de groep met de laagste inkomens. Alleen gaat die laatste groep er iets minder op achteruit. Tel uit je winst.

Schrijnend is het om te moeten constateren dat het aantal kinderen met kans op armoede in een nog steeds welvarend land als Nederland in 2011 een aantal van 344 000 minderjarige kinderen betrof, een aantal dat in 2012 steeg tot 391 000. Naar verwachting zullen de cijfers voor 2013, als ze beschikbaar komen, nog verder stijgen. Ondanks de mooie woorden dat overheidsondersteuning gegeven wordt waar die het hardste nodig is, is de realiteit helaas dat grote groepen gezinnen in de buurt van het minimum er aanzienlijk in koopkracht op achteruitgaan. Hoeveel? Wel, daarover zal in de begroting van SZW voor 2015 gerapporteerd worden. Mosterd na de maaltijd, dunkt mij. Bovendien is ook de regering van mening dat effecten tengevolge van cumulatie mogelijk zijn, niet goed voorspeld kunnen worden, maar waarschijnlijk voor individuele gevallen groot kunnen zijn. Al me al een verontrustend beeld, en een droevige illustratie van hoe deze regering haar prioriteiten stelt.

Het is interessant om eens te kijken naar wat de definitie van een alleenstaande ouder is. Houd u vast: een alleenstaande ouder is men als men geen partner heeft. Helaas gaat deze definitie met een hoog opendeur gehalte voorbij aan de werkelijkheden in onze samenleving. Immers, zodra er in de formele zin een partner boven de horizon verschijnt, heeft dit onmiddellijk grote financiële consequenties in de vorm van afschaffing van de aanvulling voor alleenstaande ouders. De voorspelling dat het schijnbaar zo eenduidige en zwart-witte begrip partner in de toekomst de nodige grijstinten zal aannemen, is dan voor de hand liggend. Alleen een volstrekt ongewenste toename van sociale overheidscontrole zal deze voorspelbare ontwikkeling kunnen keren. Nog los van deze problemen is het partnerbegrip niet eenduidig gedefinieerd. Deze bron van intense verwarring dient in elk geval uit de weg geruimd te worden.

Als we in meer detail naar de voorgestelde maatregelen kijken, zal ik me op de drie posten richten met de grootste budgettaire consequenties. De afschaffing van de aanvulling alleenstaande ouders levert de staatskas 450 miljoen euro op, het snoeien in de kinderbijslag levert 646 miljoen euro op, en het introduceren van de alleenstaande-ouderkop kost 986 miljoen euro. De regering maakt er geen geheim van dat een uiterst belangrijke aanleiding voor het voorstel het inboeken van bezuinigen is.

De bezuinigingen op de kinderbijslag vinden stapsgewijs plaats en zijn ingrijpend. Geen correctie voor inflatie gedurende een aantal jaren, en verlaging van de kinderbijslag naar het niveau van het jongste kind zijn maatregelen die erin hakken. Als we uitgaan van de gedachte dat voor een samenleving het investeren in volgende generaties niet alleen een biologische overlevingsnoodzaak is, maar ook een primair economisch belang vertegenwoordigt, roept een dergelijke maatregel onder de huidige crisisomstandigheden de nodige vragen op. Is dit het terrein waarop bij voorkeur bezuinigd moet worden? Ten aanzien van de alleenstaande ouders wordt enerzijds de aanvulling alleenstaande ouders afgeschaft, en anderzijds de alleenstaande ouder-kop ingevoerd. Het is niet eenvoudig in te zien wat het effect van beide maatregelen tezamen voor grote groepen mensen vertegenwoordigt. Wel duidelijk is, is dat de balans van alle maatregelen negatief uitpakt voor de meerderheid van de betrokken burgers.

Een ander heikel punt is dat de regering met aanzienlijke financiële prikkels alleenstaande ouders de kant van de arbeidsmarkt probeert op te duwen. Tegelijkertijd beseft de regering ook dat er meer factoren dan uitsluitend economische juist bij één-ouder gezinnen een belangrijke rol spelen. De beschikbaarheid en betaalbaarheid van goede kinderopvang is maar een voorbeeld. Omdat alleenstaande ouders dicht bij de armoedegrens dikwijls een benedengemiddeld opleidingsniveau bezitten, zijn hun kansen op betaald werk momenteel gering. Juist voor deze categorie is de werkloosheid groot en groeiende. De regering maakt aan dit soort problemen weinig woorden vuil. Gij zult ploeteren voor uw levensonderhoud, of er nu werk is of niet.

Laat me komen tot een afronding van mijn eerste termijn. Ondanks het feit dat de jungle van kindregelingen iets wordt uitgedund en er wat licht tussen de bomen komt, munt ook het nieuwe stelsel nog steeds uit door complexiteit. Het feit dat het aanvaarden van betaald werk door het voorstel aangemoedigd wordt, is een ander positief signaal. Niettemin worden grote groepen burgers rond of zelfs beneden het minimumniveau getroffen. Of hiermee een rechtvaardiger systeem wordt geschapen zoals de regering ons zo graag probeert aan te praten, is dubieuze retoriek zonder onderbouwing die beter vermeden kan worden. Straks moeten we wellicht nog aanhoren dat door dit wetsvoorstel kinderen in de armoedeval sterker uit de crisis gaan komen. Laten we vooral rationeel alle relevante feiten onder ogen zien.

Ik wacht de reactie van de regering op de door mij gesignaleerde problemen niettemin met belangstelling af.

Den Haag, 10 juni 2014