Jeugdwet

33684
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Het is me een genoegen deze bijdrage vandaag mede uit te mogen spreken namens de Partij voor de Dieren.

Het dossier over de Jeugdwet is indrukwekkend. Het wetsvoorstel, de verslagen, de nadere verslagen, de memories van antwoord, alleen al het volume van vele honderden pagina’s is verbijsterend en roept meteen al ernstige twijfels op ten aanzien van consistentie en uitvoerbaarheid van de wet. In mijn bijdrage zal ik in een tiental punten ingaan op die twijfels. Uiteraard heeft het opbrengen van al die punten tot doel daar een reactie van de staatssecretarissen op te krijgen, ook als ik gezien de tijd niet ieder punt expliciet als vraag formuleer.

1 Decentralisatie.
De Jeugdwet wil het wettelijk recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg vervangen door een voorzieningenplicht waarvan aard en omvang door de gemeenten worden bepaald. Het wetsvoorstel betekent een enorme koerswijziging en leidt tot een buitengewoon ingrijpende decentralisatieoperatie. In principe zijn onze fracties voorstander van decentralisatie, in het leggen van de bestuursmacht zo dicht mogelijk bij de burger. Echter, in dezelfde adem dient dan gegarandeerd te zijn dat de betreffende bestuurslaag ook de voorbereidingstijd, de middelen en de kennis bezit of krijgt om de bijbehorende taak naar behoren uit te kunnen voeren. Voor de burger dient zijn privacy gewaarborgd te zijn. Democratische controle is een absoluut vereiste. Indien dat allemaal niet het geval zou zijn, kan een gouden kans gemakkelijk verkeren in een gifpil. Dat speelt des te meer waar het gaat om een buitengewoon gevoelig dossier waarin de problemen en belangen van kwetsbare jonge mensen centraal staan. Juist op dat gebied kunnen de overheid en de samenleving zich geen fouten veroorloven. Precies de te korte voorbereidingstijd, de ontoereikende middelen, de vaak onvoldoende kennis bij gemeenten, privacy issues voor de burger, en problemen met de democratische controle vormen naar de mening van onze fracties met elkaar de achilleshiel van dit wetsvoorstel.

Een essentieel onderdeel van het voorstel is een aanzienlijke vergroting van de rol en de invloed van zorgverzekeraars. Onze fracties achten die ontwikkeling zorgwekkend. Waar zorgverzekeraars slechts voor één doel op aarde zijn, namelijk het verzekeren van zorg, is er de afgelopen jaren sprake van een toenemende bemoeienis met en invloed op allerlei medisch-inhoudelijke zaken. Het verdient naar de mening van onze fracties aanbeveling deze steeds verdergaande sluipende vorm van privatisering eens te leggen langs de meetlat zoals die door de Onderzoekscommissie van de Eerste Kamer naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten is aangereikt. Ook in de samenleving nemen de zorgen over de huidige ontwikkelingen toe. Deelt de regering onze groeiende bezorgdheid op dit punt?

2 Nadere beschouwing van de gevolgen van overhaaste decentralisatie.
De regering laadt de verdenking op zich dat de overhaaste decentralisatieplannen vooral zijn ingegeven door bezuinigingsdrift. Dat gevoel wordt versterkt doordat gemeenten onvoldoende inzicht hebben in de budgetten die zij kunnen verwachten, hoewel wel duidelijk is dat er aanzienlijke kortingen zullen optreden. Die financiële onzekerheid is een molensteen om de nek van met name kleine gemeenten. Graag vernemen onze fracties in enig detail welke budgetten tot dusver beschikbaar zijn, welke budgetten per 1 januari 2015 aan de gemeenten gegarandeerd worden, en hoe de kosten die een enorme systeemschok altijd met zich meebrengt, begroot zijn en opgevangen gaan worden. We zijn daarbij dus uitsluitend geïnteresseerd in harde cijfers, en niet zozeer in kwalitatieve beschouwingen.

Er is een andere bron van grote financiële onzekerheid. Als een klein aantal probleemgevallen die elk voor zich zeer hoge kosten met zich meebrengen, verdeeld zouden worden over zo’n 400 gemeenten, dan is de statistische werkelijkheid dat sommige gemeenten met zeer weinig en andere gemeenten met relatief veel ernstige problemen opgezadeld worden. Kleine gemeenten kunnen failliet gaan aan een beperkt aantal probleemgevallen, tenzij er een effectief proces van verevening van risico’s geïntroduceerd wordt. De regering denkt dat te vinden in het inrichten van 42 regio’s voor jeugdhulp. Het statistische probleem wordt daardoor inderdaad verminderd, maar verdwijnt bepaald niet. Bovendien schept een dergelijke vereveningssysteem grote onduidelijkheden op het gebied van democratische controle, waarover later meer.

Onze fracties vrezen met grote vreze dat het huidige wetsvoorstel de gemeenten in grote verleiding zal brengen om hogere gemeentebelastingen te heffen. Dat zou in de praktijk eigenlijk alleen maar kunnen door de belasting op onroerend goed (WOZ) drastisch te verhogen, waarbij de lasten bij een beperkte groep burgers zouden neerslaan. Natuurlijk is een dergelijke lastenverhoging niet terug te vinden in het overheidsbudget, ongetwijfeld tot grote vreugde van de Minister van Financiën. Echter, de burger is er niet zo in geïnteresseerd of hij door de hond of door de kat gebeten wordt, hij wil simpelweg niet gebeten worden. Welke garanties geeft de regering dat het verhogen van gemeentelijke belastingen geblokkeerd wordt?

3 Gevolgen voor een gevoelig dossier als jeugdzorg.
Het dossier jeugdzorg betreft een groep zeer kwetsbare jongeren. De gemeenten krijgen jeugdhulpplicht die in principe afdwingbaar is. Bij de toegang tot jeugdhulp adviseren deskundigen. Nadere regels zijn op dit moment onduidelijk maar zullen worden vastgesteld bij amvb. Als het tot een verwijzing komt, ontstaat er een spanningsveld tussen enerzijds de jeugdhulpaanbieder als professional, en anderzijds de gemeente als budgethouder. De jeugdhulpaanbieder dient zich te houden aan met de gemeente gemaakte afspraken over omvang en duur van de behandeling. Karakteristiek voor de problematiek is echter nu juist dat het allemaal vooraf niet zo duidelijk is wat er moet gaan gebeuren en in welke mate. En mocht de professional buiten de kaders van wat zo mooi ‘vrij toegankelijke jeugdhulp’ heet heen willen gaan, dan is overleg met de gemeente geboden. Voorwaar een feestelijk bureaucratisch perspectief, dat ook nog eens nadrukkelijk vragen over privacy oproept. Ook daar kom ik op terug.

4 Mogelijke conflicten.
Als naar de mening van de ouders of verzorgers van de jongere in kwestie de gemeente haar hulpplicht onvoldoende nakomt, is een beroep op de rechter mogelijk. Dat zet de deur open naar de bodemloze put van juridisering van de problematiek. Er is immers niet veel fantasie voor nodig om aanzienlijke verschillen van mening tussen ouders en de vooral in het budget geïnteresseerde gemeente te voorzien. Tel uit je winst die je had gedacht te boeken met onder meer demedicalisering. Wat ook voorspelbaar is, is dat bij allerlei conflicten de ouders gaan proberen hun gelijk te halen via de huisarts. Te voorzien valt dat men uitgebreid gaat shoppen en dat de druk op huisartsen sterk zal toenemen. Acht de regering dat een wenselijk toekomstbeeld?

5 De jeugd-ggz.
Het voorstel om de jeugd-ggz over te brengen naar de gemeenten heeft bij gebruikers, aanbieders en een groot aantal professionele en maatschappelijke groeperingen tot enorm veel protest en weerstand geleid. Onze fracties begrijpen dat erg goed. De regering motiveert het voorstel door te stellen dat er schotten mee verwijderd worden die nu integrale hulp op maat in de weg staan. Tegelijk erkent de regering dat het de gemeenten vergaand ontbreekt aan kennis en ervaring op dit gebied. Wel probeert men ons gerust te stellen door te melden dat in oktober 2013 zorgverzekeraars en gemeenten het voornemen hebben uitgesproken om afspraken te maken over inkoop van jeugd-ggz door verzekeraars in opdracht van gemeenten voor een periode van drie jaar. Zijn het niet juist goede voornemens die de weg naar de hel plaveien? Het komt onze fracties curieus voor dat het juist de verzekeraars met een commercieel belang zijn die gemeenten gaan adviseren over een verstandig inkoopbeleid. Marktwerking kan slechts bestaan bij de gratie van goede ‘checks en balances’, en die zijn hier ver te zoeken of zelfs onvindbaar. Geloof in een goede afloop van dit uiterst controversiële plan is een mooi ding, maar realiteitszin past ons beter. Zonder alle argumenten die in de schriftelijke voorbereiding gewisseld zijn te herhalen, is voor onze fracties duidelijk dat dit een onbegaanbare weg is. Maakt de staatsecretaris zich met dit voorstel niet tot de beschermheilige van het onmogelijke?

6 De expertmeeting.
Op 9 december 2013 heeft de Eerste Kamer in drie blokken een gesprek met deskundigen over de Jeugdwet gevoerd: (i) justitiële aspecten en kinderrechten; (ii) medische en privacy aspecten; en (iii) algemene aspecten van transitie. De overheersende mening over het wetsvoorstel in de beide eerste blokken was zeer kritisch. Vooral de haast waarmee de regering de wetgeving wil invoeren, het gebrek aan financiële helderheid, en diverse privacy issues ontlokten de sprekers zeer veel commentaar. In het derde blok waren met name wethouders van grotere gemeenten wat positiever over de uitvoeringsproblematiek. Onze fracties hebben deze expertmeeting als zeer nuttig, maar tegelijk ook als zeer zorgwekkend ervaren. Een breed scala aan deskundigen, waaronder nota bene de kinderombudsman, heeft grote zorgen op het gebied van de eerste twee thema’s van de bijeenkomst. En juist die zorgen dienen voorrang te hebben op de vervolgvraag of uitvoering haalbaar is. Veel van de zaken en vragen die in de expertmeeting aan de orde kwamen, zijn ook in de schriftelijke voorbereiding aan de orde geweest. Ook na een uitgebreide beantwoording van de kant van de regering zien onze fracties nog steeds een enorme kloof tussen de voornemens van de regering enerzijds en de integrale afweging zoals gemaakt door deskundigen anderzijds. Baart dat de regering mèt onze fracties geen grote zorgen?

7 Maatschappelijke onrust.
Dat de voorliggende jeugdwet vergaande maatschappelijk consequenties heeft, is de Nederlandse samenleving bepaald niet ontgaan. De respons van zeer veel professionele en maatschappelijke groeperingen is ongekend, en in grote meerderheid bijzonder kritisch van aard en ook van toon. De hoeveelheid brieven en e-mails die onze, en ongetwijfeld ook andere fracties tot op de dag van vandaag bereikt, is ongeëvenaard. Het beeld dat hier uit oprijst, is dat van een samenleving waarin het in belangrijke mate ontbreekt aan draagvlak voor de gepresenteerde voorstellen die ook nog eens in grote haast geïmplementeerd moeten worden. Bovendien, ik herhaal het nog maar eens, gaat het om de cruciale belangen van een aanzienlijke groep kwetsbare jongeren waarmee we ons geen fouten kunnen permitteren. Het gemak waarmee de regering af en toe over breed verwoorde fundamentele bezwaren heenloopt, verontrust onze fracties. Graag horen wij hoe de regering tegen de brede maatschappelijke commotie aankijkt, en in hoeverre die aanleiding is voor een eventuele bijstelling van de voorstellen.

8 Gegevensuitwisseling en privacybescherming.
Naarmate meer instanties en personen over privacygevoelige informatie beschikken, des te groter het risico op lekken of op ongeoorloofd gebruik is. Dat lijkt me de hoofdwet van de privacybescherming. Bij langere bewaartermijnen van gevoelige informatie (we spreken over maar liefst vijftien jaar) nemen de risico’s eveneens evenredig toe. Bij jeugdzorg ligt er een overmaat aan zeer gevoelige persoonlijke informatie opgetast die alle vormen van bescherming en meer verdient. Voorziet het wetsvoorstel daarin? In de Memorie van Antwoord van 10 januari 2014 is de regering vooral sussend. We zijn lekker bezig met de gemeenten en het komt wel goed. Dat nu lijkt wat kort door de bocht omdat, en de regering ziet dat natuurlijk ook wel, de gemeenten (en niet alleen zij) opgezadeld worden met een hele reeks van volstrekt nieuwe verantwoordelijkheden. Er gaan door allerlei betrokkenen in de jeugdhulpketen allerhande dossiers aangelegd worden die variëren van medische tot financiële informatie. Wat ik niet in de stukken heb kunnen terugvinden is in hoeverre ouders of verzorgers van minderjarige kinderen inzage in de inhoud van al die dossiers krijgen en in hoeverre ze bezwaar kunnen maken. Of is het een voorbeeld van over u maar zonder u?

Over wat er in de praktijk wel en niet kan, grossiert de Memorie van Antwoord in vaagheden. Soms zal iets wel kunnen, maar soms toch weer niet. Kortom, de voorgestelde wetgeving creëert een heel nieuw grijs gebied waar geen enkel ervaring mee bestaat. In dat verband is een ‘privacy impact assessment’ per gemeente toch niet teveel gevraagd. De regering staat echter niet te trappelen, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten. Kortom, onze fracties zijn er allemaal niet gerust op, met verwijzing naar de Wet van Murphy die ons vertelt dat als het fout kan gaan dat vrijwel zeker ook zal gebeuren. En ik vraag opnieuw: ziet de staatssecretaris zichzelf hier als de beschermheilige van het onmogelijke?

9 Democratische controle.
Alleen al op zuiver statistische gronden vereist het wetsvoorstel een vereveningsprocedure voor de kosten van buitengewoon dure behandelingen. De regering denkt die te vinden in het inrichten van 42 regio’s voor jeugdhulp. En precies dat roept grote vragen op omtrent de mogelijkheid tot democratische controle die uitsluitend op gemeenteniveau aanwezig is. De regering zet daarbij in op gemeenschappelijke regelingen. Naar de mening van onze fracties fungeren die in de praktijk als een dikke molton deken die de mogelijkheden tot democratische controle effectief smoort. Ik zal u niet vervelen met legio voorbeelden uit de weerbarstige praktijk die dit standpunt onderbouwen. Dit democratisch tekort is in feite de bijl aan de wortel van het hele wetsvoorstel. Daar waar nadrukkelijk beoogd en betoogd wordt om via de met zoveel lof bezongen route van vergaande decentralisatie de beslissingsbevoegdheid dichter bij de burger te brengen, is het de statistische noodzaak om te komen tot vereveningsprocedures die in feite de stekker uit het stopcontact trekt. Met name in het geval van kleine gemeenten hebben we hier te maken met een groot pijnpunt van het wetsvoorstel. Wellicht stelt de regering dat het antwoord op dit democratische dilemma gelegen is in schaalvergroting en het samenvoegen van gemeenten tot veel grotere eenheden. Dat zou een typisch voorbeeld zijn van het kind met het badwater weggooien, en dat zou toch een merkwaardige vorm van jeugdzorg impliceren. Het bepleiten van het opheffen van de menselijke maat bij de bestuurlijke inrichting van ons land alleen om de feilen van een slecht wetsvoorstel te helpen ondervangen, is niet het soort logica dat onze fracties overtuigt.

10 Samenvatting.
Laat me tot een afronding van mijn eerste termijn komen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de premisse van decentralisatie waar onze fracties in aanleg sympathiek tegenover staan. Helaas is het voorstel meer ingegeven door de bezuinigingsmanie van kabinet en ‘constructieve’ gedogers dan door een bevlogen visie over wat men met onze samenleving voor heeft. Dat doet de vraag rijzen of we met een gouden kans of met een gifpil te maken hebben. Uit mijn betoog moge duidelijk zijn dat onze fracties er toe neigen van een gifpil te spreken, die alle mooie beloften uiteindelijk niet waar gaat maken. De problemen verbonden met de beperkte financiering, de veel te optimistische voorbereidingstijd, de aanzienlijke privacy issues en het democratisch tekort zijn dusdanig dat wij zeer grote twijfels hebben over de goede afloop. Constructief als altijd wachten wij de reactie van de staatsecretarissen met belangstelling af. Maar dat ze met een erg goed verhaal moeten komen om onze fracties te overtuigen, moge duidelijk zijn.

Den Haag, 11 februari 2014