32528
C.A. de Lange (OSF)
Mevrouw de Voorzitter,
Illegale vreemdeling word je niet zo maar in Nederland. Daar gaat heel wat aan vooraf, daar is doorgaans vanaf dag één of nog eerder een gespecialiseerd bataljon juristen bij betrokken, en daar is meestal zeer veel tijd over heen gegaan. En als dan iemand uiteindelijk illegaal is verklaard, begint het getouwtrek over uitzetting. Immers, medewerking door de illegale vreemdeling zelf aan zijn uitzetting is niet bijzonder gebruikelijk. We hebben dus te maken met een lange keten van problemen die stuk voor stuk om een oplossing schreeuwen. Het voorliggende wetsvoorstel ziet echter uitsluitend op de laatste fase, die van de illegaliteit en vervolgens de daarmee samenhangende noodzaak tot uitzetting.
Naar de mening van mijn fractie is het vreemdelingenbeleid in ons land bijzonder stroperig en veel te weinig slagvaardig. Waar de gemeenschap, de belastingbetaler, maar ook de vreemdeling zelf gebaat zijn bij een snelle afhandeling van verblijfsaanvragen, is helaas het tegendeel het geval. En naarmate procedures langer duren, lopen de kosten voor de gemeenschap en de frustraties aan alle kanten op, en roept in de publieke opinie uitzetting, vooral als het om kinderen gaat, steeds meer weerstand op. Het zou sterk aanbeveling verdienen deze vicieuze cirkel te doorbreken door vigerende procedures aanzienlijk te stroomlijnen en drastisch te versnellen. Dat Europese regelgeving op het gebied van een slagvaardig nationaal vreemdelingenbeleid een bijna niet te nemen barrière is, ook dat is geen nieuws, maar zeker ook geen reden om ons daar passief in te schikken. Tijd voor eurorealisme, dunkt mij.
Een vreemdeling die illegaal is verklaard, dient ons land zo snel mogelijk te verlaten, goedschiks bij voorkeur, maar kwaadschiks als het niet anders kan. Illegalen zonder inkomen, zonder de mogelijkheid in hun levensonderhoud te voorzien of zich te verzekeren tegen ziektekosten, belanden in een economisch niemandsland waarbij de risico’s uiteindelijk onvermijdelijk bij de belastingbetaler belanden. Voor de illegale vreemdeling is een dergelijk bestaan uitzichtloos en onmenselijk. Voor de belastingbetaler is het ook geen feest. Naast het drastisch versnellen van nu nog gevolgde procedures, hoort aan het eind van de lijn uitzetting van illegalen dan ook een hoge prioriteit te hebben. Met name de effectiviteit van deze uitzettingsfase dient optimaal te zijn. Draagt het voorliggende wetsvoorstel hier aan bij of zijn er onoverkomelijke bezwaren?
Het wetsvoorstel beoogt enige bevoegdheden in het kader van vreemdelingentoezicht te verruimen. Het introduceert een nieuwe bevoegdheid om onder voorwaarden een woning te doorzoeken zonder toestemming van de eigenaar, ten behoeve van het vaststellen van de identiteit van de daar staande gehouden vreemdeling. Ook introduceert het wetsvoorstel de bevoegdheid om bij een vreemdeling die in bewaring is gesteld kleding en lichaam te doorzoeken om informatie over zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus te verkrijgen. Het voorstel leidt tot vragen op het gebied van noodzakelijkheid, proportionaliteit en rechtsbescherming. De Raad van State onderschrijft in zijn advies de strekking van het wetsvoorstel, maar heeft enkele aanbevelingen die ten dele overgenomen zijn. In de Memorie van Antwoord van 10 oktober 2013 wordt voorts uitgebreid ingegaan op de vragen gesteld in het Voorlopig Verslag van de Vaste Commissie voor Immigratie en Asiel van 18 juni 2013. Mijn fractie acht die beantwoording op veel punten bevredigend en voldoende. In het vervolg van mijn betoog beperk ik me tot die punten waar mijn fractie nog vraagtekens plaatst.
Mijn vragen betreffen met name de getalsmatige onderbouwing van het wetsvoorstel. In de Memorie van Antwoord worden slechts heel globale cijfers gegeven over de eerste heft van 2013. Toen waren 410 van de 670 mensen in vreemdelingenbewaring niet gedocumenteerd. Ook wordt vermeld dat dit een momentopname is, en dat aantallen kunnen wijzigen. Tja, dat lijkt me een open deur. Zijn er nu echt geen betrouwbare cijfers over een langere periode, vraag ik de staatssecretaris?
In het verlengde hiervan wordt in de Memorie van Antwoord betoogd dat vaststelling van de identiteit van de vreemdeling een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde is om tot uitzetting te komen. Mocht de identiteit al vastgesteld zijn, dan zijn er nog allerlei beren op de weg voordat tot uitzetting kan worden overgegaan. Genoemd wordt de medewerking van het land van herkomst, en -zo staat het er- ‘omstandigheden die betrekking hebben op de vreemdeling’. Vooral dat laatste is een intrigerende formulering. Waar gaat het hier om? Is het de kleur van zijn ogen, zijn politieke overtuiging, of zijn het factoren die ik even niet overzien kan die in de harde praktijk een snelle uitzetting in de weg staan?
In dit verband rijst daarom een interessante vraag. Allerlei verschillende factoren die bepalen of terugkeer naar het land van herkomst al dan niet mogelijk, is spelen kennelijk nadrukkelijk mee. Maar welk van die factoren is nu eigenlijk doorslaggevend? Laat me toch maar even de advocaat van de duivel zijn in dit dossier. Mocht het zo zijn, en in de Memorie van Antwoord staat niets dat dit tegen spreekt, dat de door de regering zo noodzakelijke geoordeelde vaststelling van de identiteit van de vreemdeling in de praktijk totaal ondergeschikt is aan al die andere zeer vaag geformuleerde voorwaarden die een rol spelen bij terugkeer naar het land van herkomst, wat is dan nog de zin van het huidige wetsvoorstel? Als de bereidheid van andere staten om hun onderdanen terug te nemen uitermate gering is, zelfs als ze over perfecte documenten beschikken, is dan het voorliggende wetsvoorstel niet wat we in wielertermen een ‘chasse patat’ noemen? Je trapt je suf maar je doel bereik je nooit? Juristen houden doorgaans niet zo erg van kwantitatieve beschouwingen, en dat is een ernstige lacune. In dit geval wil ik toch de staatssecretaris nadrukkelijk uitnodigen om vooral de getalsmatige elementen nog eens onderbouwd de revue te laten passeren. Dat zou voor deze bèta bij zijn afwegingen erg nuttig zijn. Ik zie daarom zijn antwoorden met meer dan gewone belangstelling tegemoet
Den Haag, 4 februari 2014