Onderzoek naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten
C.A. de Lange (OSF)
Ik spreek deze bijdrage uit mede namens de Partij voor de Dieren.
Als voormalig lid van de onderzoekscommissie die in opdracht van de Eerste Kamer het rapport ‘Verbinding verbroken?’ heeft opgesteld en op 30 oktober 2012 heeft gepresenteerd, is het me een genoegen hierover nu met een aantal ministers van gedachten te kunnen wisselen. Bovendien valt er het nodige te bespreken. Laat me maar meteen ter zake komen.
In zijn reactie van 25 maart 2013 is het kabinet in veel opzichten positief over het rapport. Dat stemt natuurlijk tot tevredenheid, maar waar het werkelijk op aan komt, is hoe open het kabinet zich opstelt, en wat het kabinet met de diverse aanbevelingen gaat doen. En dat valt niet in alle opzichten mee. Bij goede lezing van de kabinetsreactie valt vooral de defensieve instelling op. Op diverse punten wordt betoogd dat aanbevelingen uit het rapport in wezen al door het kabinet uitgevoerd worden, zij het op een iets andere manier. Dat is naar de mening van onze fracties niet altijd overtuigend. Meer commissies is niet noodzakelijkerwijs een adequaat antwoord op de problematiek. Ik zal me echter vooral richten op een paar hoofdpunten. In het rapport wordt onderbouwd aanbevolen om de regie voor projecten op het gebied van privatisering en verzelfstandiging te leggen bij een enkel ministerie, en wel het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en om de uitvoering van besluiten hieromtrent bij een persoon of instantie binnen dit ministerie te leggen. Uiteraard dient dit ministerie dan ook de nodige doorzettingsmacht te krijgen. Het kabinet neemt deze aanbeveling niet over, en argumenteert dat door te stellen dat ‘er grote onderlinge verschillen bestaan tussen privatiseringen en verzelfstandigingen in aanleiding, focus en problemen. De gevolgen van verzelfstandiging zijn wezenlijk anders dan die van privatisering’. Daar kan de onderzoekscommissie het natuurlijk alleen maar mee eens zijn. Na het geven van een aantal argumenten kiest het kabinet ervoor om de verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van privatiseringen (in de zin van staatsdeelnemingen) expliciet bij de minister van Financiën te houden, terwijl de minister van Wonen en Rijksdienst verantwoordelijk is voor het beleid ten aanzien van verzelfstandiging. Ook de minister van Economische Zaken zal bij de problematiek betrokken worden, maar voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ziet het kabinet hier kennelijk geen rol weggelegd. Onze fracties betreuren dat. Het onttrekt zich aan onze waarneming of hier wellicht sprake is van de klassieke machtstrijd tussen ministeries over bevoegdheden. Wel is voor ons duidelijk dat een Schip van Staat met diverse roergangers wellicht zal blijven voort dobberen, maar niemand weet dan nog waarheen. Een goed toneelstuk kent één regisseur.
Een ander opvallend punt is de houding van het kabinet ten aanzien van het door de onderzoekscommissie aanbevolen besliskader. Het kabinet begint met de nodige mooie woorden aan dit besliskader te wijden en doet vervolgens graag de toezegging om dit besliskader bij voornemens tot privatisering of externe verzelfstandiging te gebruiken als checklist ten behoeve van het tijdig en adequaat informeren van het parlement. In gewone mensentaal: als het parlement dat nou echt wil, dan zal het kabinet niet dwarsliggen. Voor de eigen activiteiten heeft de regering echter haar eigen ‘integrale afwegingskader’. Wat onze fracties betreft ondermijnt dit zo plooibaar geformuleerde standpunt van het kabinet in feite de bedoelingen die de onderzoekscommissie met deze aanbeveling had.
Sinds het rapport van de onderzoekscommissie heeft de wereld natuurlijk niet stil gestaan, ook niet op het gebied van privatisering en verzelfstandiging. Door het op afstand plaatsen van activiteiten waarmee een groot publiek belang gediend is, geeft de rijksoverheid dikwijls de mogelijkheid tot directe beïnvloeding en een belangrijk deel van de regierol uit handen. De burger heeft hier lang niet altijd begrip voor en stelt de overheid verantwoordelijk voor wat er maar mis gaat in deze dossiers. De overheid heft vervolgens de handen ten hemel in machteloosheid. Dit dilemma, dat door de onderzoekscommissie helder aan de orde is gesteld, is door het benoemen ervan bepaald de wereld niet uit. In het debat van vandaag wil ik een aantal dossiers aan de orde stellen waar naar de mening van onze fracties ongewenste ontwikkelingen plaatsvinden die een herijking van de regierol van de centrale overheid vereisen. In deze context is het nuttig het verslag van de deskundigenbijeenkomst die door de Eerste Kamer georganiseerd werd op 3 juni 2013 en waarin werd ingegaan op de kabinetsreactie op het rapport ‘Verbinding verbroken?’ nog eens na te lezen. Ik zal een aantal casus één voor één de revue laten passeren. Daarbij zal ook aan de orde komen dat in veel gevallen van een democratisch tekort gesproken kan worden omdat de parlementaire mogelijkheden om controle uit te oefenen in feite gering zijn. En dat is verontrustend, zeker als het gaat om dossiers met een groot publiek belang.
De eerste casus, het kan bijna niet missen, is die van de Nederlandse Spoorwegen en het Fyra debacle. De heer Chavannes heeft bij de expertbijeenkomst de problemen nog eens glashelder uiteengezet, en daar is ondanks wat zijn naam zou kunnen suggereren geen woord Frans bij. Als nu de tijdelijke balans opgemaakt zou moeten worden, is duidelijk dat het doorzetten van de privatisering indertijd de kosten niet heeft gedrukt, maar de beïnvloedingsmacht van de overheid wèl sterk gereduceerd heeft. Een 100% aandeelhouderschap, beheerd door het ministerie van Financiën, is bepaald geen garantie gebleken voor het goed functioneren van een voor het publieke belang essentiële activiteit. Vergeleken met landen waar niet geprivatiseerd is, doet Nederland het hier aanmerkelijk slechter. Het wordt naar de mening van onze fracties de hoogste tijd om grondig lering te trekken uit dit vreugdeloze dossier en de regie erover nadrukkelijk weer terug te brengen bij de overheid. Dat zal geen sinecure zijn, omdat kennis van zaken op de betreffende ministeries aanzienlijk geërodeerd is, maar dat doe niets af aan de noodzaak om met de nodige spoed orde op zaken te stellen. Een ander dossier dat voor onze fracties reden tot grote zorg is, is dat van de zorg. Als er ergens van een enorm publiek belang sprake is, dan is het wel in de kwaliteit en de bekostiging van de gezondheidszorg. Bovendien los je dit hoofdpijndossier helaas niet op met een simpel aspirientje. Onze fracties maken zich bijzonder ongerust over de zich steeds verder uitbreidende rol van de zorgverzekeraars. Feit is dat waar aanvankelijk de zorgverzekeraars vooral een financiële functie vervulden, zij zich nu steeds meer ook op medisch inhoudelijk terrein begeven. Het zijn de zorgverzekeraars die kennelijk zijn gaan bepalen in hoeverre ziekenhuizen nog wel voldoende behandelingen van een bepaald type verrichten, en of de kwaliteit nog wel aan de maat is. Het zijn de zorgverzekeraars die vervolgens bepalen of met een ziekenhuis nog wel contracten worden afgesloten. Natuurlijk is kwaliteitszorg en controle van groot belang, maar een te directe koppeling met private instellingen met een groot financieel belang is naar de mening van onze fracties een slechte zaak.
Ook ten aanzien van de strikt financiële rol van de zorgverzekeraars valt wel wat op te merken. Er is een enorme en helaas erg ondoorzichtige concurrentie ontstaan met lage premies als lokmiddel. Tegelijkertijd wordt het basispakket steeds verder uitgekleed en worden de aanvullende verzekeringen, waar geen acceptatieplicht voor geldt, steeds duurder. Graag stelt het kabinet dat lagere ziektekostenpremies positief uitwerken op de koopkracht van de burger, maar wat verhoging van het eigen risico en duurdere aanvullende verzekeringen voor diezelfde koopkracht van met name ouderen betekenen, wordt bewust buiten beschouwing gelaten. De burger ziet door de bomen het bos niet meer, maar voelt aan zijn water dat het zaakje niet deugt. Ook op het terrein van de gezondheidszorg wordt het de hoogste tijd dat de regie die de overheid uit handen heeft gegeven weer terugkomt waar hij hoort, bij de overheid en bij de medische professionals. Zorgverzekeraars dienen zich te beperken tot waarom ze op aarde zijn, namelijk het verzekeren van zorg. De afgelopen paar jaar overziend, zijn we met de medisch inhoudelijke bemoeienissen van de zorgverzekeraars op een hellend vlak beland. Het is nog niet te laat voor de overheid om het heft weer in handen te nemen.
Een derde dossier dat om aandacht schreeuwt is dat van de energie. Minister Kamp kan er over mee praten. Ook hier gaat het om een onderwerp met een enorme impact op het publiek belang. Ook hier zien we ontwikkelingen van een overheid die zichzelf op afstand geplaatst heeft en met een grote dosis machteloosheid naar de ontwikkelingen kijkt. Tot onbegrip van de burger natuurlijk. Ga het de mensen maar vragen in Groningen. De NAM, met een enorm commercieel belang bij de gaswinning daar, heeft de problemen met die gaswinning jarenlang gebagatelliseerd, tot men echt niet meer onder de letterlijk schokkende feiten uit kon. De geloofwaardigheid van de NAM, en daarmee van de overheid, is uitgehold tot een niveau dat alles wat nu nog beweerd wordt wel erg hol klinkt. De overtuiging van de Groninger dat hun provincie vooral als wingewest gebruikt is, is dan ook buitengewoon begrijpelijk en helaas nog juist ook. Dit kabinet, ik heb veel vaker gezegd, heeft heel weinig oog voor de problemen van krimp die zich in veel regio’s in Nederland voordoet met enorme financiële en sociale impact voor zeer veel burgers. Een echt beleid ten aanzien van het krimpprobleem is daarom buitengewoon urgent. De nu geldende autonome processen van een trek naar de Randstad en leegloop van regio’s versterken deze problemen alleen maar.
Ook de rol van Nuon en Eneco in het energiedossier roept veel vragen op. Ook hier weer het bekende beeld van een teruggetreden overheid die de regie uit handen heeft gegeven. Ook hier toenemende problemen die centrale sturing vereisen, die er in feite niet is. Toch zijn de financiële belangen gigantisch. De regeling ‘stimulering duurzame energie’ beoogt over een reeks van jaren 18 miljard euro te reserveren ten behoeve van vooral windenergie. Curieus genoeg is dat bedrag niet in de rijksbegroting terug te vinden, maar wordt de burger langs een omweg het benodigde geld uit de zak geklopt. De overheid natuurlijk blij, maar de burger wat minder. Voor hen maakt het weinig uit of hij door de hond of de kat gebeten wordt. Door geleidelijke verhoging van de kosten voor gas en licht fungeren Nuon en Eneco in feite als dependances van de belastingdienst. En dan spreken we nog maar niet over het realiteitsgehalte van de plannen, waar nu zelfs het CPB kritisch over is. Ook in dit dossier is er alle aanleiding om op korte termijn tot een grondige herijking van de regierol van de overheid te komen.
Een laatste onderwerp dat ik kort aan de orde wil stellen is dat van de decentralisatiedrift van dit kabinet. Formeel gaat het hier niet om privatisering of verzelfstandiging, omdat taken van het ene soort overheid naar het andere soort overheid worden overgeheveld. De parallel met ‘Verbinding verbroken?’ is natuurlijk wel, dat de centrale overheid de regie over wat opnieuw maatschappelijk cruciale zaken zijn, grotendeels uit handen geeft. Onze fracties hebben niet het gevoel dat de beschouwingen van de onderzoekscommissie die over het uit handen geven van de regierol veel zinnige dingen gezegd heeft, zwaar hebben meegewogen bij de besluitvorming over decentralisatie, waar met name de bezuinigingsmanie doorslaggevend is geweest.
Samenvattend, in veel dossiers die een geschiedenis van privatisering of verzelfstandiging hebben, zijn de problemen tot op de huidige dag groot. Het democratisch tekort waarvan onmiskenbaar sprake is, is een enorme belemmering voor effectieve parlementaire controle. Toch is juist de controlerende rol van het parlement cruciaal en is een assertieve opstelling van de volksvertegenwoordiging meer dan ooit nodig. Makke lammetjes eindigen doorgaans als lamskoteletjes. Daar is mijn fractie geen voorstander van, maar zoals u zult begrijpen de Partij voor de Dieren nog veel minder.
Den Haag, 21 januari 2014