Debat Wet houdbare overheidsfinanciën en Verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden

33416 Wet houdbare overheidsfinanciën
33540 Verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Vandaag behandelen we de wetsvoorstellen 33416 (wet houdbare overheidsfinanciën) en 33540 (verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden) tegelijkertijd. Ik zal beginnen met een aantal kritische beschouwingen die mijn fractie wil inbrengen ten aanzien van beide wetsvoorstellen. Gezien onze talrijke interacties in eerdere debatten zal de inhoud daarvan de minister niet verbazen. Ik neem maar het bekende Chinese spreekwoord als leidraad dat zegt dat de opeenvolging van druppels uiteindelijk de steen uitholt. Daarna zal ik op elementen van de afzonderlijke wetsvoorstellen ingaan.

Het kabinetsbeleid wordt gekenmerkt door de wens om op alle mogelijke manieren te bezuinigen. Daarbij beroept de regering zich bij voortduring op het Europese begrotingsbeleid, waarbij de 3% norm van de nooit gekozen eurocommissaris Olli Rehn een al te prominente plaats inneemt. De OSF fractie ziet geen heil in het feit dat Nederland een belangrijk deel van zijn financiële soevereiniteit uit handen heeft gegeven, omdat de belangen van ons land daarmee per saldo niet gediend zijn. Natuurlijk dient gemiddeld een prudent financieel beleid gevoerd te worden dat begrotingstekorten niet te ver laat oplopen. Echter, dat laat onverlet dat onder de speciale omstandigheden van een financiële en economische crisis investeren in de toekomst van Nederland en het daarvoor aangaan van schulden te verkiezen is boven een blinde bezuinigingsdoelstelling gekoppeld aan een vast en nogal willekeurig percentage. Zeggenschap over de eigen winkel is daarbij voor ons leidend uitgangspunt. Naar de mening van mijn fractie is het nu door deze regering gevoerde beleid aan ernstige herbezinning toe. De OSF fractie is daarmee overigens in het goede gezelschap van zeer veel financiële deskundigen.

Een ander curieus gevolg van het heilig verklaarde bezuinigingsbeleid is dat enerzijds decentralisatie, maar dan wel in combinatie met grote bezuinigingen, of anderzijds centralisatie, als dat het voldoen aan EMU normen vereenvoudigt, door het kabinet nagestreefd worden. Als dit beleid wordt uitgevoerd zonder veel visie op wat de rol en de bevoegdheden van de decentrale overheden zijn of dienen te zijn, ligt het verwijt van opportunisme en knakenjacht op de loer. Mijn fractie maakt zich ernstige zorgen over dit inconsistente beleid, dat met de mond belijdt zaken dichter bij de burger te brengen, maar in feite gestuurd wordt door een allesoverheersende bezuinigingsdrift. Deze aanpak doet geen recht aan de belangrijke en onmisbare positie van decentrale overheden en zal naar de overtuiging van mijn fractie uiteindelijk meer problemen scheppen dan hij oplost. Op lokaal niveau waar men de gevolgen van het door de rijksoverheid gevoerde beleid mag opvangen, nemen de zorgen bijna dagelijks toe.

Tot zover in meer algemene zin. Ik richt me vervolgens op de beide afzonderlijke wetsvoorstellen:

33416 Wet Hof

Aan het plenaire debat van vandaag is een uitgebreide schriftelijke voorbereiding vooraf gegaan. Zonder op alle details in te gaan, wil ik een aantal hoofdzaken aan de orde stellen.

De kern van het wetsvoorstel is dat sturing plaatsvindt op de uitgaven. De Raad van State wijst erop dat het voorstel aansluit bij het nogal beperkte stabiliteitsverdrag van de EU. Daardoor bestaat het risico dat de sturing te eenzijdig gericht wordt op het begrotingssaldo. De Raad betoogt verder dat een goed begrotingsbeleid om meer gaat dan uitsluitend het begrotingssaldo. Ondermeer zou ook nadrukkelijk gestuurd moeten worden op een kansrijk economisch (structuur)beleid en een werkgelegenheidsbeleid. Wijze woorden wat mijn fractie betreft.

De gevolgen van het wetsvoorstel voor de decentrale overheden zijn potentieel groot. Uiteraard heeft de Minister van Financiën de eindverantwoordelijkheid en dus het laatste woord. Niettemin doet het erg gekunsteld aan om het arsenaal van reeds aanwezige middelen uit te breiden, alleen maar om de Europese begrotingsdoelstellingen te respecteren. Juist op het decentrale niveau krijgen het economisch (structuurbeleid) en het werkgelegenheidsbeleid dikwijls vorm. Een eigen beleidsruimte voor de decentrale overheden is daarbij essentieel, en teveel dominantie van gestandaardiseerde en niet altijd verstandige Europese regels werkt niet noodzakelijkerwijs ten gunste van dergelijke doelstellingen. Graag hoor ik de reactie van de minister.

Het verschil in boekhoudregels zoals dat bestaat tussen de Nederlandse decentrale financiële activiteiten, waarop immers het baten-lasten-stelsel van toepassing is, en de Europese regelgeving die zijn eigen systematiek kent, lijkt een potentiële bron van verwarring te zijn. Graag verneemt mijn fractie van de minister hoe hij nodeloze uitvoeringsproblemen denkt te ondervangen.

Tenslotte heeft mijn fractie zorgen over het feit dat de al te strikte wens van de regering om de Europese begrotingsregels een zeer hoge prioriteit te geven, in de weg staat van maatregelen op decentraal niveau die lokaal bijvoorbeeld de werkgelegenheid trachten te bevorderen. Hier lijken dienen zich naar de mening van mijn fractie mogelijke dilemma’s aan. Ook op dit punt hoor ik graag de reactie van de minister.

33540 Wet Schatkistbankieren

De schriftelijke voorbereiding is uitgebreid geweest. Toch heeft mijn fractie nog een aantal vragen over zaken die niet aan de orde zijn geweest.

Diverse ratingbureaus (bijvoorbeeld S&P) en beleggingsadviseurs hebben voor Nederland een negatieve outlook gegeven. Zo blijkt uit een verslag van de treasury-commissie van de provincie Fryslân dat BNG en BNP Paribas verwachten dat van alle landen thans nog met een triple A-status Nederland de meeste kans heeft op een afwaardering. Hoe beoordeelt de minister de kans op een dergelijke ontwikkeling?

In het licht van deze waarschuwingen zou verplicht schatkistbankieren door de decentrale overheden een fiks financieel risico kunnen betekenen, aangezien een downgrade voor hen fors hogere rentekosten zou inhouden. Hoe beoordeelt de minister de kans op een dergelijke ontwikkeling?

Veel decentrale overheden hebben in hun eigen treasury-statuut vastgelegd dat er alleen mag worden belegd in financiële producten van overheden en financiële instellingen met een AAA status. Door het mogelijke aanvaarden van de Wet op het Schatkistbankieren is de waarschijnlijkheid groot dat men gedwongen zou worden tegen de eigen voorschriften in te gaan. Dat zou op gespannen voet staan met voorschriften die juist nadrukkelijk beogen om te komen tot een solide beleggingsbeleid. Is de minister met mijn fractie van mening dat zich hier een zeer ongewenst dilemma kan voordoen? Hoe denkt de minister dit dilemma te ondervangen?

Ik wacht met belangstelling de antwoorden van de minister af.

Den Haag, 26 november 2013