Debat vervallen van het verbod op godslastering

32203 Vervallen van het verbod op godslastering
C.A. de Lange (OSF)

Mevrouw de voorzitter,

Laat me beginnen met mijn waardering uit te spreken voor alle initiatiefnemers, huidige en vorige, van het vandaag voorliggende voorstel tot wetswijziging. Ieder initiatiefwetsvoorstel is een tijdrovende ‘tour de force’, en deze keer was dat geen uitzondering.

Het wetsvoorstel schrapt het verbod op godslastering en het daarmee samenhangende verbod op de verspreiding van godslasterlijke afbeeldingen of geschriften en het aan de openbare weg zichtbaar maken hiervan uit het Wetboek van Strafrecht. Belangrijk argument van de indieners voor het voorstel is de vrijheid van meningsuiting en de mogelijkheid vrijuit het maatschappelijk debat te voeren over levensbeschouwelijke kwesties en de inrichting van de samenleving. In de schriftelijke voorbereiding in Tweede en Eerste Kamer zijn reeds veel argumenten gewisseld.

Mijn fractie hecht sterk aan een strikt seculiere samenleving en is ook voorstander van een nog verdergaande vorm van secularisme die in Frankrijk laicité genoemd wordt. Beleving van welke godsdienst of levensovertuiging ook is in die visie niets meer maar ook niets minder dan een strikt individuele aangelegenheid die in volle individuele vrijheid beleden en beleefd kan worden, maar volkomen buiten het domein van de staat valt. In Frankrijk is de laicité in artikel 1 van de grondwet verankerd. Laicité impliceert en garandeert vrijheid van godsdienst, maar weigert een speciale positie aan welke godsdienst dan ook toe te kennen. Dit principe leidt tot een strikte scheiding van kerk en staat, waarbij ook religieuze symbolen zoveel mogelijk uit het publieke domein en uit openbare gebouwen geweerd worden. Politici in Frankrijk onthouden zich ook van godsdienstige uitspraken in bijvoorbeeld redevoeringen of kabinets- en kamerzittingen. Mijn fractie beoordeelt de nu voorliggende wetgeving dan ook als een belangrijke stap in de juiste seculiere richting. Voor verdergaande stappen, waar mijn fractie dus principieel voorstander van is, lijkt de Nederlandse grondwet overigens geen grote belemmering te vormen. Maar dat is een zaak voor de toekomst.

Als we naar godsdienst en godsbeleving in de samenleving kijken, dan is duidelijk dat met de opkomst van de moderne natuurwetenschappen in de afgelopen paar honderd jaar de in het verleden centrale rol van godsdienst aanzienlijk is teruggedrongen, en godsbeleving een heel andere inhoud heeft gekregen. Zaken die eerst het exclusieve domein van godsdienst waren, worden nu in termen van de moderne natuurwetenschap bevredigend verklaard. De tijd dat Galileo Galilei voor zijn op empirische gegevens gestoelde denkbeelden in 1632 voor de inquisitie werd gebracht, is definitief voorbij. Die denkbeelden betekenden wel een belangrijke ondersteuning voor het door de kerk zo bestreden copernicaanse heliocentrische wereldbeeld. Dit wereldbeeld werd later door Johannes Kepler en Isaac Newton verder aannemelijk gemaakt. Ook de wetenschappelijke observaties en baanbrekende theorieën van Charles Darwin, gepubliceerd in 1859 in ‘On the origin of species’ over biologische evolutionaire processen, uiteraard ook bij de mens, hebben de mens een nieuwe plaats gegeven op een aarde die in het universum weinig uniek te noemen is. Deze ontwikkeling in ons inzicht in de nogal beperkte plaats van de mens en de planeet waarop hij leeft, heeft de noodzaak om godsdienstige overwegingen in te roepen om de wereld om ons heen te verklaren of te begrijpen, drastisch ingeperkt en voor velen overbodig gemaakt. Deze tendens zet zich overigens nog elke dag voort. Het is dan ook begrijpelijk dat onder de bevolking het actief praktiseren van een geloof sterk is afgenomen. Het ligt voor de hand om deze nieuwe realiteiten in het staatsbestel en in onze wetgeving een plaats te geven.

In het publieke debat wordt aan argumenten ontleend aan religie en aan een godsgeloof dikwijls ten onrechte een veel zwaarder gewicht toegekend dan aan overwegingen gebaseerd op de stelling dat het bestaan van een god hoogst onwaarschijnlijk is. Boeken van de Engelsman Richard Dawkins zoals ‘The god delusion’ hebben veel gedaan om deze discussie een strikt rationele basis te verschaffen. Niettemin worden argumenten gebaseerd op religie al te vaak geventileerd op een wijze die als absolutistisch gekarakteriseerd kan worden, en die opvallend weinig ruimte laat voor andere rationeel wellicht bevredigender opvattingen. En zeker als in de wet een aparte bescherming opgenomen is, die op zijn minst suggereert dat gekwetst worden op beweerde religieuze gronden zwaarder weegt dan gekwetst worden op andere gronden, wordt in het publieke debat ten onrechte een ongelijk speelveld gesuggereerd en daarmee geschapen. Dat het in het verbod op godslastering dan ook nog gaat om een christelijke of in elk geval monotheïstische god, onder uitsluiting van al die andere godsbeelden die in andere culturen opgang gemaakt hebben, is intellectueel evenmin bevredigend. Het schrappen van het verbod op godslastering uit het Wetboek van Strafrecht is dan ook een logische en noodzakelijke stap. Het zal bijdragen aan een samenleving waarbij argumenten al dan niet gebaseerd op religieuze beleving een op ieder moment gelijkwaardig gewicht in de discussie krijgen. Er wordt door de indieners overtuigend betoogd dat de artikelen omtrent godslastering een aparte bescherming beogen voor godsdienst, boven andere levensovertuigingen. Het extra beschermen van deze religieuze overtuigingen achten zij niet wenselijk. Mijn fractie had het niet beter kunnen verwoorden. Dat daarmee overigens het elementaire fatsoen in het publieke debat zal terugkeren, is twijfelachtig. Maar om excessen te bestrijden is er andere adequate wetgeving aanwezig.

Aangezien voor mijn fractie de wenselijkheid van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel buiten kijf staat, resteert nog slechts de vraag of het uit het Wetboek van Strafrecht verwijderen van het verbod op godslastering strijdig zou zijn met andere wetgeving of zelfs met de grondwet. Juist aan die punten is in het advies van de Raad van State en in de schriftelijke voorbereiding veel aandacht besteed. Zonder die hele discussie over te willen doen, is naar de mening van mijn fractie door de indieners zeer zorgvuldig en inhoudelijk overtuigend gereageerd op alle tegenwerpingen die in de schriftelijke voorbereiding aangevoerd zijn. Mijn fractie concludeert dan ook dat de wenselijkheid om het verbod op godslastering op te heffen, niet belemmerd wordt door eventuele grondwettelijke of andere wetstechnische bezwaren. Mijn fractie zal het initiatiefwetsvoorstel dan ook van harte steunen. Tenslotte een vraag aan de indieners. Steunen zij een verdere toekomstige secularisering van onze Nederlandse samenleving, en achten zij met mijn fractie verdere stappen in wetgeving in deze richting wenselijk? Ik kijk met belangstelling naar de reactie uit.

Den Haag, 26 november 2013